Categorieën
Geschiedenis actueel

Het Wilhelmus: niet onze Nederlandse identiteit, maar een edelman in nood

Het Wilhelmus wordt een verplicht onderdeel in het onderwijs omdat het van belang is ‘voor de nationale identiteit’, aldus de formatie-onderhandelaars. Het Wilhelmus gaat echter niet over de Nederlandse identiteit, maar over een edelman in nood.

Afgelopen dagen was er veel discussie over het plan om ons volkslied een verplicht onderdeel te maken in het onderwijs. In het voorlopige regeerakkoord van de VVD, CDA, D66 en ChristenUnie staat vermeld dat scholieren moeten leren over de tekst, betekenis en melodie van het Wilhelmus en dat Nederlanders op hun 18e verjaardag een boek moeten krijgen over de geschiedenis van Nederland met een uitleg van onze ‘democratische rechtsstaat’.

Op zich is er niets mis met lessen over het Wilhelmus (1570) dat dan ook al jarenlang behandeld wordt door geschiedenisdocenten. Het lied kent een turbulente geschiedenis die overigens nog steeds ter discussie staat. Zo is jarenlang gedacht dat Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), Willem van Oranje’s adviseur en de meest productieve anti-Spanje propagandist van de Tachtigjarige Oorlog, de auteur was van het lied. Recentelijk is echter de predikant Petrus Datheen (1531-1588) aangedragen als auteur, die door zijn aanwezigheid bij het beleg van Chartres (1568) een veel logischere kandidaat is: het Wilhelmus is namelijk geschreven op de Franse melodie van O la folle entreprise du prince de Condé, dat tijdens datzelfde beleg is ontstaan.

In origine was het Wilhelmus een vrolijk soldatenlied, gezongen door de geuzen om de moed er in te houden en de rebellenleider Willem van Oranje (1533-1584) te verheerlijken. Het lied stond symbool voor de Republiek en het Oranjehuis en diens melodie kende grote populariteit en navolging. Pas in 1932 werd het ons volkslied en verving deze het controversiële ‘Wien Neêrlands bloed’ van Hendrik Tollens (1780-1856).

Ik zie geen problemen met het Wilhelmus als leerstof als het in zijn context wordt geplaatst en het lied wordt behandeld als een uniek staaltje literatuur. Het Wilhelmus is waardevol als historisch document. Ik zie wel problemen als het wordt gebruikt als voorbeeld van onze ‘nationale identiteit’ en onze nationale trots moet versterken. Want als het lied íets symboliseert is het niet onverzettelijke nationale trots, maar politiek pragmatisme van een rebellenleider in nood.

Theodor de Bry, Vergelijking tussen Oranje en Alva, met op de achtergrond de Spaanse Furie, ca. 1577. Links Willem van Oranje begeleid door de personificaties Eer (Honor), Rijkdom (Divitiae) en Wijze Raad (Prud. Cons.). Rechts Alva tussen Valsheid (Fallacia) en Afgunst (Invidia). Bron

In de periode 1568-1570 genoot Willem van Oranje nog weinig steun voor zijn rebellie: geen enkele stad verkoos zich aan te sluiten bij de opstand en Willem was genoodzaakt de hulp in te schakelen van de geuzen, berucht door hun plunderdrang en overvallen op zee. De hulp van deze misdadigers was echter essentieel om een nog grotere schurk te bevechten: de hertog van Alva (1507-1582) ofwel ‘Duc Diable’ (de duivelse hertog). In pamfletten wordt Alva gerepresenteerd als een tirannieke en bloeddorstige heerser die samen met de Spaanse Inquisitie van plan was de Nederlanden met harde hand wederom te bekeren tot het katholicisme. Hij was een belichaming van de zwarte legende, het verhaal waarin Spanjaarden standaard werden bestempeld als verraderlijke, arrogante en bloeddorstige monsters.

In het Wilhelmus wordt voortdurend gesproken over deze ‘tirannie’ die de Nederlanden maar vooral Willem van Oranje bedreigt: de positie van de adel was significant gemarginaliseerd sinds de komst van Alva. Willem presenteert zichzelf als een ‘vroom christenman’ die omwille van ‘God den Heere, der hoogsten Majesteit’ zijn wapens heeft opgepakt om de verarmden ‘Konings landen goed’ te beschermen. Let op: hij beschouwt het land nog steeds als het bezit van de Spaanse koning en probeert dit land uitsluitend te redden van het repressieve regime van Alva. Met de Spaanse koning Filips II (1527-1598) en de Spanjaarden als volk heeft hij nog geen problemen. Direct in de eerste strofe maakt Willem dan ook duidelijk dat hij de koning nog steeds als zijn legitieme heerser beschouwd: ‘den Koning van Hispanje heb ik altijd geëeerd.’ Pas in Willem’s Apologie (1581), waarin Willem zich verdedigde tegen de ban van de Spaanse koning, wordt de koning direct beschuldigd voor de Spaanse wreedheden die sinds de Reformatie op ‘Nederlands’ grondgebied hebben plaatsgevonden. Daarvoor kregen Filips’ adviseurs Granvelle, Alva en Don Juan van Oostenrijk de schuld en in het Wilhelmus is Alva ‘den tiran vermeten.’ Het idee dat het Wilhelmus de calvinistische strijd van Nederland symboliseert dat zich van het Spaanse juk bevrijdt gaat dus niet op.

Alva wordt zelfs vergeleken met de Bijbelse tiran Saul, die uit jaloezie het leven van de rechtvaardige en vrome David, een voorvader van Jezus, terroriseerde:

Als David moeste vluchten
Voor Saul den tyran:
Soo heb ick moeten suchten
Met menich edelman:
Maer Godt heeft hem verheven,
Verlost uit alder noot,
Een Coninckrijck ghegheven
In Israël, seer groot.

God stond echter aan Davids kant en Saul werd verslagen. Willem van Oranje vergelijkt zichzelf met David en belooft de ‘arme schapen, die zijt in groten nood’ te bevrijden van hun eigen Spaanse tiran. Deze boodschap was noodzakelijk voor Willems campagne: Willems eerste confrontatie met Alva bij Maastricht was mislukt en in 1570 was Oranje gedwongen zich terug te trekken naar Slot Dillenburg in Duitsland. Hij moest laten zien dat ondanks deze eerste mislukking God aan zijn kant stond.

Kortom, het Wilhelmus bezingt niet een onveranderlijke Nederlandse identiteit, maar het diplomatiek geschipper van een edelman in nood. Deze edelman werd bovendien pas ‘vader des vaderlands’ lang nadat hij gestorven was en de opstand een populariteitsimpuls nodig had. Tot dan was Willem van Oranje simpelweg een rebel die weliswaar na veel moeite de Noordelijke Nederlanden aan zich bond, maar ook door zijn gewelddadige optreden met de geuzen vele ‘Nederlanders’ van zich vervreemde.

Sabine Waasdorp is promovendus vroegmoderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Haar onderzoek richt zich op de beeldvorming van Spanje en Spanjaarden in Engelse en Nederlandse literatuur uit de zestiende eeuw.