Categorieën
Historisch bedrijf

Academische vrijheid als miniatuur van de rechtsstaat

Als we de academische vrijheid écht willen beschermen, moeten we niet alleen individuele wetenschappers, maar ook universiteiten en andere kennisinstellingen beschermen. Ingrid Leijten, hoogleraar Nederlands en Europees constitutioneel recht, reflecteert op de Annie Romein-Verschoorlezing van Nadia Bouras.

Elk jaar organiseert de Universiteit Leiden op of rond Internationale Vrouwendag de Annie Romein-Verschoorlezing, vernoemd naar de gelijknamige publiciste en schrijfster die zich jarenlang inzette voor vrouwenemancipatie. Dit jaar werd de lezing verzorgd door dr. Nadia Bouras. Haar lezing is hier terug te lezen. Porf. dr. Ingrid Leijten gaf een reactie als referent. Dit is haar referaat, uitgesproken op 6 maart 2026 in het Groot Auditorium van de Universiteit Leiden.

 

Dankjewel, Nadia, voor jouw indrukwekkende lezing. Toen ik een concept daarvan in mijn mailbox kreeg, en dat zonder overdrijving ‘in een ruk’ doorlas, vroeg ik mij af wat ik überhaupt nog zou hebben toe te voegen. Ik heb me er vooral door laten inspireren.

Ikzelf ben opgegroeid op een boerderij in de Noordoostpolder, en besloot na een jaar op de hogeschool voor de kunsten, waar ik een dansopleiding volgde, toch te gaan studeren. Ook ik was de eerste in mijn familie – tegelijk met wat neven en nichten. Dat ik ‘eerste generatie’ was merkte ik vooral doordat ik het in mijn hoofd had gehaald dan maar meteen in Leiden te gaan studeren en lid te worden van Minerva. Maar dat is een ander verhaal.

Nadia kreeg de opdracht haar lezing over academische vrijheid te verbinden aan haar expertise als migratiehistoricus en met haar persoonlijke ervaringen. Daarin is ze uitstekend geslaagd. Maar haar verhaal was ook veel meer dan een individueel relaas.

Waar ik thuis niets leerde over de universiteit en alles wat daarbij hoort, heb ik wel veel meegekregen over het belang van gemeenschap, van maatschappelijke en politieke betrokkenheid. Wie na de Tweede Wereldoorlog landbouwgrond wilde in de drooggevallen polder, moest laten zien ook een samenleving te kunnen opbouwen. Zo heeft mijn van oorsprong Brabantse familie er ongetwijfeld aan bijgedragen dat daar – ver boven de rivieren – tot op de dag van vandaag carnaval wordt gevierd.

Dat in de Noordoostpolder mensen uit alle windstreken terechtkwamen, betekende tegelijkertijd ook dat de verzuiling er nogal lang voortduurde – dat het begin jaren negentig feest was toen de katholieke basisschool in het kleine dorp waarin ik opgroeide, waar nog steeds drie verschillende basisscholen waren, de vijftigste leerling mocht verwelkomen.

Mijn vader was decennialang actief in de lokale politiek. En zo is het dan toch ook geen toeval dat ik uiteindelijk op de universiteit belandde om politicologie te studeren, en later ook rechten, waarbij ik me steeds vooral aangetrokken heb gevoeld tot het ‘publieke’ recht, dat de relatie tussen overheid en burger betreft.

Ik noem dit alles ook, omdat ik in deze korte bijdrage vooral nog even wil stilstaan bij de publieke dimensie van het thema academische vrijheid. Dat wil ik niet eens zozeer doen als lid van de KNAW-commissie vrijheid van de wetenschap, en de door het ministerie van OCW ingestelde KNAW-commissie die onderzoek doet naar de juridische borging van die vrijheid, zoals in mijn bio in de uitnodiging staat vermeld, maar vooral ook op persoonlijke titel, en als hoogleraar staatsrecht die zich zorgen maakt over de democratische rechtsstaat.

Het staatsrecht stut de rechtsstaat – een term die de afgelopen jaren in het publieke en politieke debat een steeds prominenter rol is gaan spelen. Tegenwoordig verstaan we daaronder niet alleen dat de overheid zich moet houden aan het recht, maar ook dat dat recht een bepaalde inhoud heeft, of toch in elk geval overeenstemt met grondrechten. Een van die grondrechten is de vrijheid van meningsuiting, en daaronder scharen we doorgaans het individuele grondrecht op academische vrijheid. We noemen dit ook wel ‘negatieve’ rechten, wat betekent dat de overheid er in beginsel geen, of zo weinig mogelijk beperkingen aan mag stellen. Doet zij dat wel, dan moeten die beperkingen een legitiem doel dienen en niet verder reiken dan nodig is om dat doel te bereiken.

Maar met een focus op het individuele grondrecht van de wetenschapper om in vrijheid onderzoek te kunnen doen, bevindingen naar buiten te kunnen brengen en onderwijs te kunnen geven, doen we de rechtsstatelijke rol van academische vrijheid wat mij betreft nogal te kort. Je zou de academische vrijheid ook als ‘miniatuur’ van de rechtsstaat als zodanig kunnen zien – in die zin dat dat wat een rechtsstaat moet zijn, weerspiegeld wordt in de academische vrijheid, of althans in het work in progress dat haar – zoals we zojuist hoorden – kenschetst.

Een van de belangrijkste taken van de politiek is het maken van wetten. Toen ik tijdens mijn eerste jaar als politicologiestudent tot dat inzicht kwam, en besefte dat ik van recht echt geen kaas had gegeten, besloot ik ook hier verderop aan de Steenschuur te gaan studeren. Dat de politiek recht maakt, betekent wat mij betreft ook dat democratie per definitie niet los te koppelen is van de rechtsstaat: natuurlijk zijn er bepaalde grondrechten en grondnormen waar politiek steeds aan gebonden is om rechtsstatelijk te kunnen zijn. Maar hoe daaraan in het hier en nu, steeds opnieuw gestalte wordt gegeven, is en blijft een kwestie van publieke besluitvorming. Als er echt iets op het spel staat, willen we dat de democratische, vertegenwoordigende organen in het wetgevingsproces het voortouw nemen. Hoe dat proces op een goede manier vorm te geven, is dus ook onderdeel van de uitdaging van de rechtsstaat.

Juist in deze context is academische vrijheid veel meer dan een individueel recht – iets waarmee we onze onafhankelijkheid en autonomie als wetenschapper vormgeven, onszelf – vaak toch ook – proberen te verwezenlijken. Academische vrijheid is een voorwaarde voor het beschikbaar worden van kennis en feiten, o zo nodig in een democratische rechtsorde en heel concreet ook bij het maken van wet- en regelgeving waarvan we verwachten dat die ‘werkt’. Denk aan de rol van de wetenschap in het wetgevingsproces ten tijde van corona. Maar ook als het bijvoorbeeld gaat om de vraag of het nodig is dat de wetgever het demonstratierecht nader inperkt, is wetenschappelijke kennis, zoals terug te vinden in het recente WODC-onderzoek naar het demonstratierecht, cruciaal. Een van de grootse problemen in onze huidige politieke realiteit, waarin populistische stemmen een grote rol spelen, is dat het uitgaan van gedeelde feiten en kennis het niet zelden moet afleggen tegen het pleasen van de achterban.

Maar het gaat niet alleen om kennis en feiten: ook pluralisme en het bestaan van verschillende perspectieven draagt bij aan het creëren van een gedeelde wereld. Met Hannah Arendt kunnen we zeggen dat die gedeelde wereld – ook of juist in de politiek – niet steeds een gedeelde waarheid betekent. Je perspectief bepaalt immers wat je ziet en hoe je dat beoordeelt.

Natuurlijk is wetenschap geen politiek, maar het is wel een voorwaarde voor de gedeelde wereld en de geïnformeerde perspectieven die we daarop kunnen hebben.

Geen wonder dat de academische vrijheid onder druk staat op plekken waar populistische of autocratische leiders of regeringen, die willen doen geloven dat er maar een waarheid en een oplossing is, een grote vinger in de pap hebben. Nadia noemt de VS als voorbeeld, en ik kan slechts beamen dat de snelheid waarmee daar wordt getornd aan de vrije wetenschap en aan rechtsstatelijke waarborgen überhaupt, ook hier een wake up call moet zijn. Niet dat we niet ook dichter bij huis hebben gezien dat academische vrijheid kwetsbaar is, als bezuinigingen en taalbeleid een vlucht nemen, als wetenschappers worden bedreigd.

Als we de academische vrijheid écht willen beschermen, moeten we niet alleen individuele wetenschappers, maar ook universiteiten en andere kennisinstellingen beschermen. In grondrechtelijke termen moet zowel het individu als de institutie negatieve vrijheid toekomen, maar is het minstens zo belangrijk dat er op de overheid (en afgeleid op instituties) een positieve verplichting rust ervoor te zorgen dat die vrijheid daadwerkelijk bestaat en kan worden benut. Dat er voldoende financiële en andere middelen zijn die zorgen voor de collectieve mogelijkheid van universiteiten en wetenschappers om kennis te vergaren en die vervolgens ook veilig over het voetlicht te brengen.

Of zoals Nadia het zegt: ‘academische vrijheid is niet alleen de vrijheid om te spreken, maar ook de mogelijkheid om als spreker erkend te worden’. Juist ook voor veel vrouwelijke wetenschappers is dat geen vanzelfsprekendheid, zeg ik als iemand die werkzaam is in een discipline – het staatsrecht – die nog steeds flink gedomineerd wordt door mannen. Die zijn bijna allemaal wit, gelukkig lang niet allemaal grijs – dat het staatsrecht tegenwoordig hip and happening is, hoef ik natuurlijk niemand te vertellen.

Het bracht mij ertoe in mijn oratie een rechtsfeministisch, relationeel perspectief op de Grondwet uit te werken. En daarmee een perspectief toe te voegen. Door onze diversiteit, zoals Nadia ook benadrukte, ontstaat een rijker beeld. Dat kennis daardoor misschien minder eenduidig wordt, het vaker schuurt, moeten we omarmen.

Academische vrijheid vinden we als zodanig niet in de Grondwet. Het wordt juridisch gezien dus begrepen als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting, en als zodanig in de rechtspraak uitgewerkt. Dit is ook een van de vragen die ons als commissie juridische borging bezighoudt: verdient expliciete verankering in de Grondwet aanbeveling? Daarvoor bestaan verschillende opties: een extra artikellid in het grondwetsartikel dat gaat over vrijheid van meningsuiting, of een nieuwe bepaling die de individuele academische vrijheid vastlegt. Een zorgplicht kan ook: in lijn met bepalingen die de overheid ertoe verplichten zorg te dragen voor huisvesting, gezondheidszorg, een bestaansminimum, een gezond leefmilieu en culturele ontplooiing – dat staat allemaal in de Grondwet – kun je haar ook verplichten steeds en voldoende zorg te dragen voor de wetenschap. Hoewel de afdwingbaarheid voor de rechter van een dergelijke zorgplicht vanwege de openheid ervan doorgaans nogal matig is, zou dit wel een erkenning vormen van het belang van academische vrijheid en de plicht van de overheid zich daar hard voor te maken. Nu een goed functionerende staat bij uitstek baat heeft bij de vruchten van wetenschappelijk onderzoek, zou daar toch niets op tegen moeten zijn?

Maar juridische normering alleen is nooit voldoende. Waar de burger uiteindelijk toch echt zelf de democratische rechtsstaat moet willen, geldt dat ook voor de vrije wetenschap. Dat wil uiteraard niet zeggen dat elke burger zich dagelijks zou moeten bezighouden met wetenschappelijke vraagstukken – laat staan met de deadlines en innerlijke worstelingen die daarbij nu eenmaal horen. Maar wel dat zij in staat is het belang in te zien van onderzoek dat bijdraagt aan de samenleving en aan onze kennis daarvan. Of het nu gaat om nieuwe medicatie of oplossingen voor klimaat, historische of culturele lessen.

Dat zij waarde hecht aan brede wetenschappelijke consensus, maar ook begrijpt dat het goed is dat wetenschappers het niet altijd eens zijn. Misschien moeten we ook daar in het burgerschapsonderwijs gericht aandacht aan besteden. Maar ik geloof ook, in de geest van Annie Romein-Verschoor, dat het aan ons als academici is nog beter te laten zien wat we doen.

Ik werk alweer vier jaar met heel veel plezier aan Tilburg University – komen die Brabantse roots toch nog eens van pas. Maar het besef dat ik bij deze wereld – de academische wereld – wil horen, heb ik te danken aan Leiden.

Toen ik hier studeerde en promoveerde, ging ik verschillende keren met huisgenoten en vriendinnen naar de Annie Romein-Verschoorlezing. Ook de inspiratie en hoop die dit soort avonden bieden vormen onze perspectieven als wetenschappers en als mensen. Het is een eer daar dit jaar ook een bijdrage aan te kunnen leveren.

 

Ingrid Leijten is hoogleraar Nederlands en Europees constitutioneel recht aan Tilburg University. Zij houdt zich onder meer bezig met de moderne werking van grondrechten, en is lid van de KNAW-Commissie voor de Vrijheid van Wetenschapsbeoefening.