Categorieën
Historisch bedrijf

De juiste afstand tot het verleden: de rol van identiteit van historici

Het historisch métier hamert op objectiviteit en een kritische blik ten opzichte van bronnen en het verleden. Daarnaast komt er steeds meer aandacht voor de identiteit van historici en de rol daarvan bij het kijken naar dit verleden. Er is daarbij een duidelijke tweespalt: zij die vinden dat je net wél of net niét qua identiteit moet samenvallen met de groep mensen die je bestudeert.

De Dag van de Belgische Migratiegeschiedenis 2023 stelt de vraag: “Is het nodig een migratieachtergrond te hebben om de geschiedenis van de immigratie te bestuderen?” Dit debat woedt breder in het historisch bedrijf. Luidop wordt er bijvoorbeeld nagedacht over of witte mensen wel over zwarte mensen mogen of kunnen schrijven. Ook in de samenleving, waarin er steeds meer bewustzijn is voor culturele toe-eigening, leeft dit vraagstuk. Er zijn daarnaast te veel voorbeelden van acteurs en auteurs die worden beschuldigd van queerbaiting, wat vaak tot een gedwongen en ongewenste coming-out leidt.

To be een witte hetero cis man?

De identiteit van historici en hoe die mee de blik op het verleden kleurt, lijkt steeds vaker erkend te worden. Sommige historici zouden zich omwille van herkenbaarheid meer tot bepaalde thema’s aangesproken voelen, zoals mensen van kleur die werken over raciale discriminatie en vrouwen die over vrouwen in het verleden schrijven. Maar, wordt er evengoed genereus opgemerkt, dit hoeft geen bezwaar te zijn! Persoonlijke affiniteit hebben met een onderwerp staat niet noodzakelijkerwijs garant voor een minder grote distantie tot het onderzoeksobject of minder objectieve analyses. Het is grappig – als je een donker gevoel voor humor hebt alleszins – dat dit soort vragen vooral opkomen wanneer minderheidsgroepen toevallig (of niet?) schrijven over de minderheidsgroep(en) waarmee ze qua identiteit raakvlakken hebben.

Zelf kreeg ik wel eens de opmerking van collega’s dat ze “mij” lazen in mijn onderzoek. Ik beken: ik identificeer mij als bi vrouw en heb inderdaad een klein, bescheiden uitstapje gemaakt naar queergeschiedenis. Bewust vermeldde ik niet alleen monoseksuele geaardheden (de LG in de LGTBQIA* bijvoorbeeld) die traditioneel gezien in queergeschiedenis de meeste aandacht krijgen, maar ook biseksualiteit (de B). Daarnaast achtte ik het nodig om op bepaalde barrières te focussen waarmee vrouwen in het verleden in aanraking kwamen. Hoewel ik geen aanstoot neem aan dergelijke opmerkingen, integendeel, ik beschouw dit als een compliment, triggerde het me ook: hoezo leest niemand in het werk van witte, hetero cis mannen hun eigen identiteit?

Desondanks is er overtuigend bewijs dat de identiteit van deze historici een doorslaggevende stempel op hun werk heeft gedrukt in het verleden: tot diep in de vorige eeuw was er amper tot geen aandacht voor mensen met een andere identiteit (en werd die geschiedenis ook hoofdzakelijk geschreven door historici die zich identificeerden als witte, hetero cis mannen). Nochtans wordt er amper tot nooit in vraag gesteld of witte, hetero, mannelijke cis historici wel genoeg afstand (kunnen) bewaren tot hun onderzoeksobject. Werd hun keuze om voornamelijk mensen zoals zichzelf centraal te plaatsen in hun onderzoek dan niet ingegeven door herkenbaarheid? En moet dat dan niet ook in vraag gesteld of verdedigd worden?

De witte hetero cis man wordt, met andere woorden, ook in de geschiedschrijving vaak nog als vanzelfsprekende norm genomen. Zij moeten zich doorgaans niet verantwoorden voor de keuze voor hun onderzoeksdomein en hun kwaliteiten als historici (objectieve geschiedschrijving en kritische blik) worden hierdoor niet in vraag gesteld. Of toch? Onlangs woonde ik een symposium van de European Association for Urban History (EAUH) bij, waarbij iemand de vraag kreeg of hij als witte man wel over de islamwerelden kon (en mocht) schrijven.

Admission of the Senior Wrangler in 1842.

Or not te be een witte hetero cis man?

Terug naar de Dag van de Belgische Migratiegeschiedenis 2023. Moeten we dan maar verwachten van historici dat ze bepaalde identiteitskenmerken hebben vooraleer ze zich aan bepaalde onderwerpen mogen wagen? In deze vraag zit een duidelijk – bewonderingswaardig – motief om een historisch onrecht binnen de (geschied)wetenschap recht te zetten, en letterlijk en figuurlijk een stem te geven aan mensen die lange tijd van de geschiedschrijving werden uitgesloten. Dit omvat zowat iedereen die geen witte hetero cis man was: vrouwen, non-binaire mensen, mensen van kleur, mensen met een migratieachtergrond of met een beperking. Ongelijke machtsverhoudingen, eeuwenlange patronen van discriminatie en gebrek aan diversiteit en representatie omdraaien en goedmaken is ook de motivatie die schuilt achter het idee dat een cis persoon geen trans personage zou mogen spelen in series of films. Dit soort rollen zouden, volgens deze visie, voorbehouden moet worden voor trans personen. Hoewel ik dit standpunt zeker begrijp, gaat dit voor mij ook los in tegen de essentie van acteur, auteur, maar ook historici zijn, namelijk je verplaatsen in de schoenen van iemand die je niet bent door je in te lezen, uitgebreid onderzoek te doen en bronnen te raadplegen.

Bovendien is dit een tweesnijdend zwaard: mag je als trans persoon dan ook enkel trans rollen spelen of over trans geschiedenis schrijven? Voor onderzoek(st)ers van diverse slag zou het bijzonder beperkend werken als ze alleen die groepen mensen in de samenleving mogen onderzoeken waarmee ze identiteitskenmerken delen. Het zijn net de verschillende, comparatieve perspectieven die volgens mij waardevol blijken: kijkt een non-binair persoon van kleur op dezelfde manier naar witte mannen in het verleden als hun witte mannelijke collega’s, of merken ze andere verbanden, verklaringen of analyses op? De grootste objectiviteit lijkt me net bekomen te worden wanneer verschillende paren ogen, elk met hun eigen achtergrond en gevoeligheden, naar hetzelfde bronnenmateriaal kijken.

Daarnaast dwingt het idee dat je alleen mag schrijven over mensen die op jezelf lijken historici, maar evengoed ook acteurs en auteurs, om zich steeds publiekelijk uit te spreken over hun identiteit, hoe ze hun gender beleven (want kunnen we wel aan iemand zien of die zich als man, vrouw of non-binair identificeert?), tot wie ze romantische en/of seksuele aantrekkingskracht ervaren, maar ook heel hun stamboom op tafel te leggen. Je kunt immers niet per se aan iemand zien of die migratieroots heeft. Niet iedereen is bereid al die informatie te delen (of zou daartoe überhaupt gedwongen moeten worden), of bezit die zelf tot in detail. Niet in alle contexten is het bovendien voor alle identiteiten even veilig. Daarnaast is identiteit ook niet statisch.

To be or not to be je kritische zelf!

De oplossing ligt volgens mij in het midden: blijven praten over hoe identiteit ons allemaal beïnvloedt in ons werk (en niet alleen wanneer je tot een minderheidsgroep behoort), het in vraag stellen wat de norm is (en of we wel een norm nodig hebben) – maar bovenal blijven vertrouwen dat historici het historisch métier onder de knie hebben. Het garanderen van een open, pluriform debat, waar geen stem structureel wordt uitgesloten, maakt hier inherent deel van uit. En wordt inlezen in de (juiste) literatuur, objectiviteit en een kritische blik immers niet van ons allemaal verondersteld? Mocht dat niet blijken, moeten we historici misschien gewoon beoordelen op de kwaliteit van hun werk en niet op basis van hun identiteit.

Margo Buelens-Terryn (zij/haar) is postdoctoraal onderzoek aan de Universiteit Antwerpen. Ze werkte eerder onder meer over mediageschiedenis in vroeg-twinigste-eeuwse steden.