Academische vrijheid lijkt een vanzelfsprekend goed, maar in werkelijkheid is ze ongelijk verdeeld. Niet alleen door politieke druk of maatschappelijke verharding, maar ook door subtielere vormen van uitsluiting binnen de academie zelf, betoogt Nadia Bouras in de Annie Romein-Verschoorlezing 2026.
Elk jaar organiseert de Universiteit Leiden op of rond Internationale Vrouwendag de Annie Romein-Verschoorlezing, vernoemd naar de gelijknamige publiciste en schrijfster die zich jarenlang inzette voor vrouwenemancipatie. Dit jaar werd de lezing verzorgd door dr. Nadia Bouras. Dit is haar lezing, uitgesproken uitgesproken op 6 maart 2026 in het Groot Auditorium van de Universiteit Leiden.
De prijs van vrij denken: Over academische vrijheid, klasse en vrouw-zijn in de wetenschap
Als Annie Romein-Verschoor iets was, dan was ze een zelfbewuste non-conformist. Iemand die zich niet gemakkelijk in een hokje liet plaatsen en zich ook niet liet voorschrijven hoe zij zich moest gedragen of schrijven. Wat uiteindelijk overbleef, was een eenvoudige maar veeleisende houding: trouw blijven aan jezelf – ook in je werk.
Dat herken ik.
Romein-Verschoor wist hoe het voelde om in een academische wereld te opereren waarin je aanwezigheid niet vanzelfsprekend was. Ze schreef ooit:
“Wie zich met geschiedenis bezighoudt is een historicus, maar een vrouw met dezelfde bezigheid dient te zeggen: ‘Ik ben historica’, een woord dat mij altijd als een stukje steenkool in het krentenbrood tussen de tanden knarst.”
Die ene zin zegt veel. Over taal, over positie, over hoe vanzelfsprekend autoriteit voor sommigen is en hoe betwist zij voor anderen kan zijn.
Ook vandaag geldt nog steeds dat bepaalde stemmen gemakkelijker worden gehoord dan andere.
Een luide, linkse, progressieve vrouw – Marokkaans, moslim – dat is voor sommigen een combinatie die kortsluiting veroorzaakt. Dan volgt al snel de impliciete en soms expliciete boodschap: misschien toch een toontje lager zingen.
Juist daarom vind ik het bijzonder om hier vanavond te staan.
Lieve vrienden, collega’s, studenten en familie, geachte rector-magnificus, en een bijzonder welkom aan de commissie van de Annie Romein-Verschoorlezing,
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik mij zeer vereerd voel dat ik de lezing dit jaar mag verzorgen. Toen ik de uitnodiging ontving, voelde ik niet alleen dankbaarheid, maar ook een duidelijke opdracht. Mij werd gevraagd te spreken over academische vrijheid, en daarbij mijn expertise als migratiehistoricus te verbinden met mijn persoonlijke ervaringen met de druk en bedreigingen waaronder wetenschappers soms hun werk moeten doen.
Dat is een uitnodiging die ik niet licht opvat.
Niet alleen omdat Annie Romein-Verschoor zelf een intellectueel voorbeeld was van onafhankelijk denken en maatschappelijk engagement, maar ook omdat het thema academische vrijheid vandaag allesbehalve abstract is.
Vanavond wil ik daarom niet alleen spreken over academische vrijheid als principe, maar over academische vrijheid als ervaring.
Als iets dat zich afspeelt in levens, in carrières, in lichamen en in biografieën.
Ook in de mijne.
Er is een zwart-witfoto van mijn moeder die mij al mijn hele werkende leven vergezelt.

Ze is negentien jaar oud en draagt haar trouwjurk. Ze zit wat timide op een bank in een Amsterdamse bovenwoning. Mijn vader maakte de foto op de dag dat zij in 1978 in Nederland arriveerde. De foto was bedoeld voor het thuisfront, om te laten zien dat ze veilig was aangekomen en dat het jonge echtpaar aan een nieuw leven was begonnen.
Maar wie goed kijkt, ziet een jonge vrouw die nauwelijks een glimlach kan opbrengen.
Jarenlang stond die foto bij ons thuis, als stille getuige van wat was opgegeven en van wat alsnog mogelijk moest worden. Tegenwoordig hangt hij aan de muur van mijn werkkamer op de universiteit.
Mijn ouders ontmoetten elkaar een jaar eerder, in 1977, toen mijn vader voor het eerst sinds zijn vertrek terugkeerde naar Marokko. In Casablanca bezocht hij de man aan wie hij zijn Europese avontuur te danken had: de vader van mijn moeder.
Mijn moeder was toen achttien en stond op het punt haar baccalauréat te halen. Studeren ging haar gemakkelijk af. Maar toen ze op een middag thuiskwam om te lunchen, merkte ze meteen dat er iets aan de hand was. Het huis was vol mensen, mijn oma stond grote pannen te roeren en tantes en buurvrouwen liepen af en aan.
De voorbereidingen voor haar bruiloft waren in volle gang.
Na de bruiloft reisde mijn vader terug naar Amsterdam. Mijn moeder volgde enkele maanden later, nog voordat ze haar eindexamen kon doen. Zo begon haar leven in Nederland: niet als student, maar als bruid van een arbeidsmigrant.
Het begin van dat leven was eenzaam. Terwijl mijn vader lange dagen werkte, zat zij alleen in een bovenwoning in Amsterdam. In Casablanca was het huis altijd vol geweest; in Amsterdam hoorde ze vooral stilte. Ze schreef brieven naar haar zussen en vriendinnen en hield de brievenbus scherp in de gaten, wachtend op nieuws van thuis.
Maar uiteindelijk vond mijn moeder haar eigen weg. Ze ging werken als kok in dezelfde serviceflat waar mijn vader huismeester was en waar hij bijna veertig jaar zou blijven.
Haar financiële onafhankelijkheid werd haar nieuwe diploma.
Misschien is het daarom geen toeval dat juist het verhaal van haar generatie later het onderwerp van mijn historische onderzoek werd.
Mijn opleiding tot historicus en mijn persoonlijke achtergrond
Ik was de eerste in mijn familie die naar de universiteit ging.
Dat kwam met een grote verantwoordelijkheid.
Ik voelde, expliciet en impliciet, de verantwoordelijkheid om de dromen van mijn moeder waar te maken. Zij had willen studeren. Zij had een diploma willen halen. Zij had een ander leven voor zich gezien, maar heeft zich in haar lot moeten schikken. Mijn universitaire opleiding was daardoor nooit alleen mijn eigen traject.
In 2006 begon ik aan deze universiteit als promovendus bij Marlou Schrover, die eerder vandaag haar afscheidsrede hield op dezelfde plek waar ik nu sta. Mijn scriptie had ik een jaar eerder geschreven aan de Vrije Universiteit, onder begeleiding van Jan Lucassen. Hij moedigde mij aan om te promoveren, zonder dat ik meteen begreep wat dat betekende.
Wat ik wel wist, was dat mijn moeder mij van jongs af aan had ingeprent dat ik ooit universitair docent moest worden. Dat was voor haar het hoogst denkbare eindpunt. De bejaardenflat waar mijn ouders werkten was gevestigd aan de Boelelaan, op een steenworp afstand van waar ik studeerde. En toch kon de afstand tussen hun wereld en de mijne nauwelijks groter zijn.
Mijn eerste semester aan de universiteit viel samen met de aanslagen van 11 september. Terwijl de wereld zichtbaar veranderde, had ik andere zorgen. Mijn zelfvertrouwen kelderde en ik kreeg last van hevige faalangst. Wanneer ik naar de universiteit fietste en het gebouw in de verte zag opdoemen, kreeg ik hartkloppingen.
Ik moest daar even weg.
Een langgekoesterde droom was om in Amerika te studeren. In de winter van 2003 vertrok ik naar New Jersey. Na enkele weken van hevig heimwee begon ik langzaam mijn draai te vinden. Ik raakte bevriend met andere internationale studenten en met studenten die actief waren in verenigingen waarin etnische en culturele achtergrond centraal stond.
Daar kreeg ik voortdurend dezelfde vraag: Where are you from?
“But you don’t look Dutch.”
Steeds opnieuw moest ik uitleggen dat ik in Amsterdam geboren was, maar kind van Marokkaanse migranten.
In Amerika werd ik opnieuw een Marokkaan. Ja, de ironie ontgaat mij niet.
Toen ik terugkwam naar Nederland voelde dat, voor het eerst, niet als een last maar als een bron van kracht.
Mijn laatste jaar aan de Vrije Universiteit, in 2005, viel samen met de viering van vierhonderd jaar betrekkingen tussen Nederland en Marokko. In dat kader werd een minor Marokkostudies opgezet. Vanuit verschillende faculteiten stroomden studenten met een Marokkaanse achtergrond toe. Nog nooit zaten er zoveel Marokkaanse studenten bij Geschiedenis in de collegebanken. Al die jaren was ik de enige geweest.
Ik herkende hun hunkering naar kennis over hun eigen geschiedenis. Het ging om meer dan kennis alleen. Het ging om herkenning – en om erkenning.
Tijdens een college van antropoloog Marjo Buitelaar viel voor mij alles op zijn plaats. Zij sprak over Marokkaanse vrouwen die tijdens bruiloften en feesten zo uitbundig dansten dat zij in trance raakten – taferelen die ik als kind tijdens zomers in Casablanca talloze keren had gezien. Voor het eerst zag ik mijn eigen sociale wereld niet als achtergrond of privégeschiedenis, maar als bron van kennis.
Ik besloot mijn scriptie te schrijven over de generatie van mijn moeder: Marokkaanse vrouwen die via gezinshereniging naar Nederland kwamen. In de literatuur werden zij vaak voorgesteld als passieve volgelingen van hun echtgenoten. Maar wie Marokkaanse vrouwen een beetje kent, weet dat zij zich zelden laten sturen.
Ik interviewde talloze vrouwen, onder wie mijn moeder. Mijn conclusie was helder: zij waren geen passieve volgers, maar actieve migranten – vaak de drijvende kracht achter gezinshereniging.
Zo werd mijn familiegeschiedenis op een vanzelfsprekende manier onderdeel van mijn academische werk. Niet als persoonlijke anekdote, maar als historisch materiaal dat nieuwe vragen mogelijk maakte.
Docentschap, herkenning en de kwetsbaarheid van academische vrijheid
Met een korte onderbreking werk ik inmiddels twintig jaar aan de universiteit. Van al mijn werkzaamheden – onderzoek, schrijven, publieke optredens – haal ik misschien wel de meeste voldoening uit het docentschap. In de collegezaal ervaar ik het meest concreet wat academische vrijheid betekent. Niet als abstract recht, maar als pedagogische ruimte: een ruimte waarin studenten leren vragen stellen, aannames bevragen en zichzelf intellectueel positioneren.
De universiteit is een ontmoetingsplek van werelden die elkaar niet vanzelfsprekend raken. Dat zie ik elk semester opnieuw. Studenten brengen hun eigen achtergronden, overtuigingen en onzekerheden mee de collegezaal in. Sommigen hebben nog nooit een Marokkaan ontmoet, behalve via het nieuws. Anderen dragen zelf een migratiegeschiedenis met zich mee, maar hebben die zelden teruggezien in hun docenten.
De laatste jaren zijn er steeds meer studenten met een Marokkaanse achtergrond bij Geschiedenis. Wanneer ik de collegezaal binnenloop en hun namen op de presentielijst zie, herken ik iets van mijn eigen studententijd. Die behoefte aan herkenning. Aan intellectuele legitimatie. Aan het gevoel dat jouw geschiedenis en die van je ouders niet alleen privéverhalen zijn, maar ook onderdeel van grotere historische processen.
Vooral vrouwelijke studenten zoeken mij na afloop van colleges op. Soms met praktische vragen over studie, loopbaan en over hoe je je staande houdt in een academische omgeving die niet altijd op jou gebouwd lijkt. Ze waarderen het wanneer ik hun naam op de juiste manier – in het Arabisch – uitspreek, wanneer ik culturele referenties herken, wanneer ze zich niet voortdurend hoeven te verklaren. Dat soort momenten lijken klein, maar ze zijn pedagogisch betekenisvol. Ze laten zien dat academische ruimte ook relationeel is. Dat kennisoverdracht niet alleen gaat over inhoud, maar ook over erkenning. Het zegt: je bent hier niet toevallig.
Ik zie hoe studenten groeien wanneer ze zichzelf terugvinden in het curriculum. Wanneer ze ontdekken dat migratiegeschiedenis, koloniale geschiedenis of de geschiedenis van hun herkomstland niet aan de rand van de discipline staan, maar er integraal deel van uitmaken. Wanneer ze merken dat hun vragen ertoe doen.
In hun aanwezigheid zie ik een verschuiving in de universiteit. Waar ik ooit één van de weinigen was, zie ik nu generaties die zich minder hoeven te verontschuldigen voor hun achtergrond. Tegelijkertijd zie ik hoe precair die positie nog is. Hoe snel publieke discussies over migratie, identiteit of islam doorsijpelen in de collegezaal.
Ik geef een vak over de geschiedenis van Marokkaanse migratie. Als onderdeel van het programma moeten studenten een Marokkaan interviewen. Dat levert steevast gespannen blikken op – niet uit onwil, maar uit onbekendheid. Voor sommige studenten is het de eerste keer dat zij buiten hun eigen sociale kring in gesprek gaan met iemand met een migratieachtergrond.
In een eerstejaarscollege over Nederlandse identiteit vroeg een student mij eens: “U bent geen Nederlander, wat vindt u als buitenstaander typisch Nederlandse waarden?”
Ik antwoordde dat ik langer Nederlander ben dan hij. Er werd gelachen. Maar onder die lach ligt een diepere vraag: wie geldt hier als het vanzelfsprekende subject van de nationale geschiedenis? Wie wordt gezien als norm, en wie als uitzondering?
Een andere student zei ooit: “Als u een hoofddoek had gedragen, had ik u niet getolereerd.” Hij verzette zich tegen halal-producten op de universiteit omdat de universiteit, volgens hem, gevrijwaard moest blijven van islamisering. Ik vertelde hem dat wanneer ik na mijn college van één uur ’s middags naar de cafetaria liep, ik al blij mocht zijn als er überhaupt nog iets te eten over was – laat staan halal-producten.
Het zijn ongemakkelijke momenten. Maar ze zijn ook pedagogisch betekenisvol. Academische vrijheid betekent in zo’n context niet dat iedereen ongeremd alles kan roepen; zij betekent dat er ruimte is om ideeën te bevragen, om historische context aan te reiken, om overtuigingen te laten schuren en zich te laten ontwikkelen.
Diezelfde student wist ik later te overtuigen om een semester aan het NIMAR in Rabat te studeren. Hij kwam terug met verhalen, met vragen en met twijfels – en toch ook met een zichtbaar verschoven perspectief. Niet omdat hij gehersenspoeld was, zoals rechtse critici van universiteiten graag suggereren, maar omdat ervaring het vermogen heeft om wereldbeelden te nuanceren en te verruimen.
Docentschap is voor mij daarom nooit alleen overdracht van kennis geweest. Het is ook het openen van perspectieven. Het laten zien dat geschiedenis geen vaststaande canon is, maar een voortdurend proces van herinterpretatie. Dat nieuwe vragen nieuwe verhalen mogelijk maken.
Wanneer in het publieke debat wordt gesproken over universiteiten als linkse, ‘woke’ bolwerken waar studenten worden geïndoctrineerd, denk ik aan die momenten in collegezaaltjes. Ik denk aan discussies die niet netjes langs ideologische lijnen verlopen, maar grillig en soms pijnlijk zijn. Ik denk aan studenten die hun voorkeur voor Trump, Forum voor Democratie of Geert Wilders niet onder stoelen of banken steken, en studenten die daar fel tegenin gaan. En ik denk aan mijn rol daarin: niet als scheidsrechter van overtuigingen, maar als hoeder van geïnformeerde discussies en historische nuance.
Toch blijft de collegezaal niet afgesloten van de buitenwereld.
De afgelopen jaren is de universiteit nadrukkelijker onderwerp geworden van politiek debat. In de Verenigde Staten zien we hoe curricula worden herschreven, hoe universiteiten onder politieke druk komen te staan en hoe wetenschappers publiekelijk worden aangevallen. Maar ook in Nederland is het klimaat veranderd. Wetenschappers die zich mengen in publieke discussies worden sneller persoonlijk aangevallen. Expertise wordt gewantrouwd. Motieven worden verdacht gemaakt.
Ik heb dat zelf ervaren. Mijn werk is publiekelijk in twijfel getrokken. Mijn academische titel is tussen aanhalingstekens geplaatst, alsof mijn status als historicus een kwestie van smaak is. In talkshows werd ik genoemd als voorbeeld van wat er mis zou zijn met de universiteit én de integratie van Marokkanen in Nederland. Er zijn brieven gestuurd aan rector, decaan en wetenschappelijk directeur van het instituut met het verzoek mij te ontslaan omdat ik ongeschikt zou zijn om onderwijs te geven aan ‘hun kinderen’. Er werd een ‘Vizier op Links’ een sticker op mijn deur geplakt met de mededeling dat deze locatie geobserveerd werd.
Wat mij in die aanvallen het meest treft, is dat ze zelden inhoudelijk zijn. Ze richten zich niet op mijn argumenten, maar op mijn legitimiteit. Niet op mijn methoden, maar op mijn aanwezigheid. Dat is geen toeval. Het raakt aan een fundamentelere kwestie: wie wordt erkend als legitieme producent van kennis?
Hier komt het werk van Sara Ahmed mij telkens weer te hulp. In haar beschrijving van de feminist snap schrijft zij: “A snap is not the start of something violent, but the end of bearing too much.” Een snap is het moment waarop iemand niet langer bereid is om structurele spanning te dragen zonder die te benoemen.
Wat voor druk kan ertoe leiden dat een historicus ‘snapt’? Het is zelden één incident. Het is accumulatie. Het voortdurend moeten uitleggen dat je onderzoek legitiem is. Het steeds weer moeten aantonen dat je geen activist bent, maar wetenschapper. Het besef dat je zichtbaarheid tegelijk kracht en kwetsbaarheid is.
Toch hoeft een snap niet destructief te zijn. Ahmed beschrijft de snap ook als productief: een moment waarop iemand weigert mee te bewegen met structuren die ongelijkheid in stand houden. In die zin kan publieke geschiedenis zelf worden gezien als een vorm van collectieve snap. Een weigering om dominante narratieven onbetwist te laten. Een poging om nieuwe perspectieven én nieuwe kennisdragers zichtbaar te maken.
Mijn eigen publieke werk is altijd gemotiveerd geweest door diezelfde impuls. Niet om te provoceren, maar om complexiteit toe te voegen. Om historische diepte te brengen in discussies die vaak worden gedomineerd door simplificaties.
Dat publieke werk is soms ongemakkelijk. Het maakt zichtbaar wat liever onzichtbaar blijft. Het stelt vragen bij vanzelfsprekendheden. Maar het is ook precies daar dat academische vrijheid betekenis krijgt: niet alleen als recht om onderzoek te doen, maar als mogelijkheid om kennis in de publieke ruimte te brengen.
Tegelijkertijd maakt publieke zichtbaarheid ook kwetsbaar. Vrouwelijke wetenschappers, en in het bijzonder vrouwen van kleur, worden in dat publieke debat vaker persoonlijk aangevallen en sneller gedelegitimeerd. Hun werk wordt vaker gereduceerd tot identiteit. Hun autoriteit vaker betwist. Vrouwen in de wetenschap krijgen doorgaans te maken met seksisme; bij vrouwen van kleur komt daar racisme bovenop. Ze moeten niet alleen zwijgen, maar ook ‘oprotten naar hun eigen land.’
Dat is geen individueel probleem, maar een structureel patroon. En het raakt aan de kern van academische vrijheid. Want academische vrijheid is niet alleen de vrijheid om te spreken, maar ook de mogelijkheid om als spreker erkend te worden. Ze gaat niet alleen over formele rechten, maar ook over epistemische autoriteit: over wie als geloofwaardige kenner wordt gezien en wie niet.
Juist daarom is academische vrijheid geen vanzelfsprekend bezit. Ze is een praktijk die voortdurend onderhoud vraagt. Niet alleen van individuele wetenschappers, maar van de academische gemeenschap als geheel.
Wanneer ik zeg dat academische vrijheid ongelijk verdeeld is, bedoel ik niet dat sommige wetenschappers meer rechten hebben dan anderen. Formeel is die vrijheid voor iedereen gelijk. Maar niet iedereen kan zich even zorgeloos vrij voelen. Niet iedereen betaalt dezelfde prijs voor zichtbaarheid. Sommige stemmen worden vanzelfsprekend als deskundig gehoord; andere moeten hun legitimiteit telkens opnieuw bewijzen. Academische vrijheid is dus niet alleen een juridisch recht, maar ook een sociaal ervaren ruimte – en die ruimte is niet voor iedereen even groot.
Annie Romein-Verschoor en de betekenis van academische vrijheid
Toen mij werd gevraagd deze lezing te houden, moest ik denken aan Annie Romein-Verschoor zelf. Niet alleen als naamgever van deze avond, maar als historicus, feminist en publieke intellectueel die haar vak uitoefende in een tijd waarin dat voor een vrouw allesbehalve vanzelfsprekend was.
Romein-Verschoor schreef en werkte in een academische wereld die nog nadrukkelijk een mannenbolwerk was. Vrouwelijke stemmen genoten zelden vanzelfsprekende autoriteit. Zij moest zich intellectueel bewijzen in een omgeving die haar niet automatisch als gelijke beschouwde. Toch koos zij er niet voor zich terug te trekken in een smalle academische niche. Zij schreef essays, polemieken en cultuurhistorische analyses en mengde zich actief in maatschappelijke discussies. Voor haar was geschiedenis geen louter archiefwerk, maar een manier om het heden te begrijpen en kritisch te bevragen.
Wat mij in haar werk bijzonder aanspreekt, is de combinatie van intellectuele ernst en publieke betrokkenheid. Zij plaatste zich niet boven de samenleving, maar stond er middenin – zonder haar wetenschappelijke integriteit te verliezen. Daarmee liet zij zien dat engagement geen bedreiging vormt voor academische kwaliteit, maar daar juist uit kan voortkomen.
In haar geschriften klinkt steeds het besef door dat geschiedenis ook een vorm van verantwoordelijkheid is. Dat kennisproductie nooit losstaat van haar maatschappelijke context. Historici verzamelen niet alleen feiten; zij geven ook betekenis aan het verleden en dragen daarmee bij aan het publieke gesprek over het heden.
Die houding is voor mij wezenlijk wanneer wij spreken over academische vrijheid.
In een essay in De Groene Amsterdammer uit de winter van 1968, dat nog altijd verrassend actueel is, reflecteert Romein-Verschoor op de vrouwenemancipatie van haar tijd. Zij constateert dat er weliswaar duidelijke vooruitgang was geboekt – vrouwen hadden kiesrecht, meer toegang tot onderwijs en nieuwe beroepsmogelijkheden – maar dat de echte maatschappelijke winst nog steeds vooral bij mannen terechtkwam. Formele vooruitgang, zo betoogde zij, leidt niet automatisch tot daadwerkelijke vrijheid of gelijkheid wanneer diepgewortelde sociale en culturele patronen blijven bestaan.
Zij wees ook op een terugkerend patroon: zodra vrouwen meer ruimte krijgen, ontstaat er vrijwel onmiddellijk een tegenbeweging. Conservatieve of reactionaire stemmen proberen de verworvenheden van emancipatie opnieuw te begrenzen of terug te draaien.
In die observatie herkennen we vandaag gemakkelijk de huidige backlash, waarin feministen opnieuw moeten strijden voor rechten die eerder verworven leken. Die backlash wordt vaak gevoed door ressentiment: wat denken die vrouwen wel? En datzelfde ressentiment herkennen we ook in andere vormen van uitsluiting: wat denken die nakomelingen van migranten wel?
Seksisme reist zelden alleen; het gaat vrijwel altijd samen met andere vormen van hiërarchie en uitsluiting.
Van de feministische schrijver en denker Roxane Gay leerde ik een belangrijk inzicht voor zulke tijden. In de strijd tegen autoritarisme en uitsluiting hoeven we geen perfectie na te streven – niet in onszelf en niet in anderen. Wat nodig is, is een gedeeld doel en een gedeeld besef van wat er op het spel staat.
Dat brengt mij terug bij academische vrijheid.
Academische vrijheid wordt vaak opgevat als bescherming tegen inmenging van buitenaf: van de staat, van politieke partijen, van economische belangen. Dat is terecht en noodzakelijk. Maar Romein-Verschoor herinnert ons eraan dat academische vrijheid ook een innerlijke houding is. Een bereidheid om zelfstandig te denken. Om tegen de stroom in te redeneren. Om complexiteit te verdedigen wanneer de roep om simplificatie luid klinkt.
Tegelijkertijd geloof ik niet dat de universiteit een vijandige ruimte is. Integendeel. Mijn eigen loopbaan is alleen mogelijk geweest dankzij instituties die ruimte boden. Dankzij docenten die mij stimuleerden. Dankzij een universiteit die mij de kans gaf onderzoek te doen naar onderwerpen die ooit als marginaal werden beschouwd. En dankzij initiatieven zoals Erkennen en Waarderen, die ruimte maken voor verschillende vormen van kennisproductie, waaronder publieke geschiedenis.
Dat alles onderstreept voor mij dat academische vrijheid geen individuele verdienste is. Zij is ingebed in structuren. Zij vraagt om instituties die haar beschermen en faciliteren. Maar zij vraagt ook om voortdurende reflectie op wie toegang heeft tot die vrijheid – wie zich er vanzelfsprekend in kan bewegen en wie niet.
Voor mij is academische vrijheid daarom onlosmakelijk verbonden met pluraliteit. Met het besef dat kennis rijker wordt wanneer verschillende perspectieven worden toegelaten. Dat objectiviteit niet betekent dat we onze achtergrond ontkennen, maar dat we die reflexief inzetten in ons werk.
Misschien is dat ook wat Annie Romein-Verschoor ons leert: dat geschiedenis altijd in beweging is. Dat iedere generatie nieuwe vragen stelt aan het verleden. Dat vrijheid niet betekent dat alles vastligt, maar dat er ruimte bestaat voor herinterpretatie en kritische herlezing.
Wanneer ik terugdenk aan de zwart-witfoto van mijn moeder, zie ik niet alleen een verhaal van gemiste kansen. Ik zie ook een lijn die doorloopt. Mijn moeder moest haar studie opgeven, maar haar verlangen naar kennis vond een weg via mij. Mijn werk als onderzoeker en docent vindt weer zijn weg via mijn studenten.
Zo beweegt kennis zich van generatie op generatie.
Academische vrijheid is daarom voor mij geen abstract beginsel. Zij is een intergenerationeel project. Zij leeft in de vragen die wij stellen, in de discussies die wij voeren, en in de ruimte die wij maken voor nieuwe stemmen.
Academische vrijheid is een work in progress.
En dat is geen zwakte.
Dat is precies wat haar levend houdt.

Nadia Bouras is historicus aan de Universiteit Leiden en verbonden aan NIMAR, het Nederlands Instituut in Marokko in Rabat. Zij is gespecialiseerd in migratiegeschiedenis en de geschiedenis van Marokko. Momenteel werkt zij aan een boek over de moderne geschiedenis van Marokko. Daarnaast is zij secretaris van het bestuur van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap.