Toen Julius Caesar de vijand tijdens de slag bij Zela in slechts vijf dagen versloeg, schreef hij: ‘veni, vidi, vici’ (‘ik kwam, ik zag, ik overwon’). In 2002 introduceerde de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) drie opeenvolgende beurzen voor vernieuwend onderzoek die hun naam aan deze gevleugelde uitspraak ontlenen. Met die ‘vertaling’ naar het Nederlandse wetenschapsveld ging de betekenis van Caesars woorden echter verloren: in tegenstelling tot de vlotte veldslag bleek de aanvraag van een Veni, Vidi of Vici al gauw een inefficiënte, veeleisende en slepende procedure. In februari 2018 kondigde NWO een hervorming van deze procedure aan. De vraag is of dit getalenteerde jonge onderzoekers in de Veni-ronde uiteindelijk wel ten goede komt.

In 2016 stelde Ionica Smeets in haar column voor de Volkskrant een rekenvraag: hoeveel kost de jaarlijkse aanvraagronde voor de prestigieuze Vici-subsidie van NWO? De som was gauw gemaakt: met 215 onderzoeksvoorstellen kwam de gehele exercitie uit op pak en beet 2600 weken fulltime werk, of – want tijd is geld – ruim 12 miljoen euro. ‘Daarmee,’ schreef Smeets, ‘zou de wetenschap heel wat andere dingen kunnen doen.’

Simon Pierre Tillemans, ‘Een Romeinse Veldslag’ (Nationalmuseum, Stockholm). Bron: Wiki Commons

Maken we de balans op voor de Veni-beurs, dan blijkt die procedure minstens even inefficiënt. Ik beperk me voor deze gelegenheid tot het NWO-domein Sociale en Geesteswetenschappen (SGW), dat sinds 2017 in deze samengestelde vorm bestaat. De Veni wordt toegekend aan pas gepromoveerde, getalenteerde onderzoekers om, in de woorden van NWO, ‘hun ideeën verder te ontwikkelen’. De persoonsgebonden beurs bedraagt maximaal 250.000 euro voor een fulltime aanstelling van drie jaar.

Voor de Veni-ronde van 2018 meldden zich aan het begin van het jaar 516 gegadigden met een onderzoeksvoorstel. In februari viel circa 60 procent van deze voorstellen af. De overgebleven 200 voorstellen werden elk beoordeeld door twee van elkaar onafhankelijke referenten die daarover ieder een rapport uitbrachten. De kandidaten kregen een week de gelegenheid een weerwoord op deze beoordelingen te schrijven. Op basis van die weerwoorden werden er dit jaar 93 kandidaten uitgenodigd voor een presentatie en een gesprek met tien aangewezen commissieleden. Van de 93 jonge onderzoekers horen er 50 à 51 over een maand of ze het voorgenomen project kunnen gaan uitvoeren. De slagingskans in 2018 komt daarmee uit op 10 procent. Dat is 15 procentpunt minder dan de eerste lichting in 2002.

Nu de uren. In navolging van Smeets deed ik beperkt rondvraag om een algemene indruk te krijgen van de gedane arbeid. De elf ondervraagden zaten gemiddeld 6,25 fulltime werkweken aan hun voorstel. Doorgerekend komt dat neer op 3225 weken inspanning vóór de eerste deadline in januari. Voor het schrijven van een weerwoord en het voorbereiden en voeren van het gesprek werden elk 3 dagen gerekend: 200 x 3 + 93 x 3 = 879 dagen of bijna 176 werkweken. Rekenen we daar de gemaakte uren van referenten en commissieleden bij op (op basis van Smeets’ getallen in dit geval grofweg 66 werkweken), dan kom je uit op een stuitend totaal van 3467 fulltime werkweken of 77 werkjaren. 77 jaar voor 10 procent kans. Zelfs Caesar had eieren voor zijn geld gekozen.

Anders dan bij de Vici-som kan deze 77 jaar niet zo eenvoudig worden omgerekend in geld. Het vele werk wordt namelijk zelden verricht binnen een academische positie. De berekende tijd bestaat in de praktijk veelal uit onbetaalde uren tijdens avonden, ‘vrije’ dagen en weekenden. De Veni-aanvraag is daarom geen inefficiënte investering van het wetenschappelijk bedrijf, maar een veeleisend proces dat vrijwel volledig op de schouders van de aanvrager terecht komt. Een cijfermatige kosten-batenanalyse zoals die hierboven geeft dan wel een indruk, maar doet slechts gedeeltelijk recht aan de echte, niet zomaar te kwantificeren belasting.

Uit de rondvraag naar de ‘kosten’ van de Veni kwamen de directe gevolgen van het structurele overwerken aan het licht. Het overgrote deel van de ondervraagde onderzoekers gaf aan sociale isolatie, overmatige stress en overspannenheid te (hebben) ervaren. De ongelukkige timing van de langgerekte procedure speelt hierin ook een rol: met deadlines net na de kerstvakantie en het paasweekend is het met de feestdagen gedaan. Bovendien laat het overwerk weinig ruimte voor het opbouwen van een solide Curriculum Vitae met voldoende output. Het CV, dat een grote rol speelt, wordt hierdoor vaak eerder een indicatie van gelegenheid en tijd dan van kwaliteit.

Een andere gedeelde stressfactor is het onzekere toekomstperspectief van de jonge wetenschappers. Het mislopen van een Veni heeft grote gevolgen op korte en lange termijn: de afgewezen kandidaat moet meestal niet alleen (direct) op zoek naar ander werk, maar maakt ook substantieel minder kans op een bestendige carrière. Je zou kunnen verdedigen dat op deze manier het kaf van het koren wordt gescheiden: alleen de getalenteerde onderzoekers gaan door. Maar onze collega’s van stukroodvlees.nl toonden onlangs nog aan dat die stelling geen hout snijdt. Zij vergeleken het academische succes van ‘net-verliezers’ met dat van ‘net-winnaars’. Zeker met het huidige schamele slagingspercentage zijn deze onderzoekers ten tijde van de aanvraag qua niveau niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden. In de vijf jaar erna blijkt dit opvallend genoeg niet te veranderen. Toch sleept de Veni-winnaar 2,5 keer vaker de Vidi in de wacht. Wie straks in juli als 52e eindigt heeft geen gebrek aan talent, maar is de dupe van een uit de kluiten gewassen ronde en een gebrek aan alternatieve, gelijk gewaardeerde routes.

Een eerste stap in de goede richting zou zijn om het aantal beurzen te verhogen en zo het slagingspercentage weer terug te brengen naar de oorspronkelijke 25 procent. Die stap zette NWO tot nu toe echter nog niet. In plaats daarvan werd de aanvraagronde voor de Veni onlangs drastisch hervormd met de invoering van een zogenaamde ‘inbeddingsgarantie’ (een bewijs van steun van de beoogde onderzoeksinstelling) en een voorselectie: een uitgebreid CV en een beknopt onderzoeksidee moeten nu al vóór 28 augustus 2018 binnen zijn. Beide maatregelen zouden de aanvraagdruk en de werklast voor wetenschappers verminderen.

Uit het oogpunt van efficiëntie valt hier misschien nog wel iets voor te zeggen. Maar kijkend naar de daadwerkelijke, volledige investering zet NWO met deze hervorming twee stappen terug. De toch al slepende procedure wordt met nog eens vier maanden en ten koste van de zomervakantie verlengd. En het CV krijgt zo geen grote, maar een allesbepalende rol in de beoordeling. Daarmee is de Veni definitief verworden tot een badge voor prestige, in plaats van de beloofde impuls voor innovatieve ideeën. De niet aflatende toewijding en strijdvaardigheid van jong onderzoekstalent verdient een beter antwoord dan dit.

Dank gaat uit naar de voormalige en huidige Veni-kandidaten die hebben meegewerkt aan dit stuk.

Esmée Bruggink is classica en promoveert aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze doet onderzoek naar Euripides’ tragedie Fenicische Vrouwen (410 voor Chr.) en de manier waarop er in het theater van het oude Athene werd gereflecteerd op kwesties van macht en verantwoordelijkheid in tijden van grote politieke crisis.