Historici en andere geesteswetenschappers hebben zo’n precaire arbeidspositie dat ze er verstandig aan doen zichzelf niet alleen als medewerker van een universiteit te zien, maar ook als ondernemer met meerdere universiteiten, financiers en andere organisaties als klant.

Voor ik aan mijn promotietraject begon, had ik een bedrijfje waarmee ik levensverhalen en familiegeschiedenissen schreef. De keus daarvoor had alles te maken met mijn belangstelling voor geschiedenis en herinneringen. Maar wat ik er vooral van heb opgestoken is zakelijkheid. Ondernemerschap. Veel wetenschappers – zeker geesteswetenschappers – vinden dat een vies woord. Daar ben ik het in veel opzichten mee eens. Waarheidsvinding en ideologiekritiek staan vaak haaks op ondernemerschap.

Tegelijkertijd is het dé houding en vaardigheid die mij de afgelopen jaren het meest geholpen heeft. Een belangrijk inzicht voor mij was dat je als individuele wetenschapper soms andere belangen hebt dan je werkgever. In de eerste jaren van een wetenschappelijke carrière krijg je meestal geen vaste baan. Sterker nog, universiteiten hebben er een handje van je te laten voelen dat ze voor jou zó tien anderen kunnen krijgen.

Als je geen vaste aanstelling hebt – bijvoorbeeld omdat je promotieonderzoek doet, postdoc bent in een (per definitie tijdelijk) NWO-project,[1] of onderwijs ter vervanging van een ander – is het eigenlijk belangrijker om een goed cv te ontwikkelen dan om je huidige werkgever te plezieren. Op dit moment beoordeelt je huidige werkgever je functioneren, maar op termijn is de belangrijkste factor voor succes in de geesteswetenschappen of je erin slaagt onderzoeksfinanciering te verwerven, bij voorkeur grote subsidies van NWO of diens Europese equivalent.

Veel tijdelijke banen aan de universiteit bestaan voor 60-100% uit onderwijs. Tegelijk wordt je cv door NWO-selectiecommissies beoordeeld op onderzoeks-‘output’: het aantal en de kwaliteit van je gepubliceerde wetenschappelijke artikelen en boeken. Je moet dus vaak schipperen tussen de onderwijs-eisen van je werkgever en de onderzoeks-output die je nodig hebt om in NWO-competities mee te blijven tellen. Zo komt de academische wereld in Nederland aan de nogal perverse uitdrukkingen ‘onderwijsLAST’ en ‘onderzoeksRUIMTE’.

Om het geheel nog een slagje ingewikkelder en perverser te maken, waarderen zowel NWO als werkgevers het als je er eerder in bent geslaagd om onderzoeksgeld binnen te halen. Het is dus een zichzelf versterkend proces. Bij de Universiteit Leiden kun jaarlijks solliciteren op een tijdelijke onderzoeksbaan (6-12 maanden), met een uitgewerkte NWO-onderzoeksaanvraag als vereist eindproduct. Zo kan je dus weken bezig zijn met het schrijven van een onderzoeksvoorstel, waarmee je heel misschien een baan krijgt om dat onderzoeksvoorstel betaald verder te mogen perfectioneren. Je had natuurlijk in die tijd ook onderzoek kunnen dóen, maar het verkopen van je idee is bijna belangrijker geworden.

Dit systeem heeft nogal wat negatieve gevolgen. De armen worden armer en de rijken (met name degenen die eerder NWO-geld kregen) worden rijker. Er ontstaat keiharde competitie op individueel niveau. Daarnaast is er een extreme werkdruk en een stellige overtuiging dat werken in de wetenschap het Allerbeste is, voor de Allerbeste Mensen. Voor mensen die buiten de wetenschap zinvol en uitdagend werk doen is het dogmatische karakter van die overtuiging vaak moeilijk voor te stellen. Zeker als je bedenkt dat er maar beperkt geld beschikbaar is voor geesteswetenschappelijk onderzoek. Veel voorstellen die als excellent beoordeeld worden krijgen desalniettemin geen geld.

Zo vallen er mensen uit het systeem die jaren geïnvesteerd hebben in een academische carrière en vervolgens ergens tussen hun dertigste en hun vijftigste uitgerangeerd zijn zonder dat dat iets zegt over hun kwaliteit als wetenschapper. In 2012 weigerde de Universiteit van Amsterdam de langlopende tijdelijke contracten te verlengen van twee beroemde top-classici van boven de vijftig, met ieder een enorme staat van dienst (prijzen, publicaties, nominaties voor docent-van-het-jaar). Onder enorme druk van media en grootscheepse acties werden Piet Gerbrandy en David Rijser alsnog vast aangesteld, maar je kunt gerust stellen dat de meeste wetenschappers ondernemersrisico lopen.

Dit is waar het ondernemerschap om de hoek komt kijken. Als je risico loopt, heb je ook vrijheid. Je kunt het onmogelijk iedereen – NWO, je werkgever, of als je meer kleine aanstellingen hebt werkgevers, journalisten, internationale netwerken, landelijke onderzoeksscholen – naar de zin maken. Dus kan je maar beter doen wat je zelf wilt, belangrijk vindt, en goed kunt. Het loont om strategisch na te denken over wie (NWO, collega’s en instituten in binnen- en buitenland, media, bedrijven, publieke instellingen, overheden) er geïnteresseerd zou kunnen zijn in jouw wetenschappelijke werk. Daarbinnen is eigenlijk weer vrij veel keus. Je kan tot op zekere hoogte kiezen wat je wilt doen, en daarbij zelf de passende ‘klanten’ uitzoeken.

Universiteiten geven je daar in het algemeen geen extra tijd voor, maar zijn er wel blij mee, want als gezegd is jouw vaardigheid in het verkopen van je project-ideeën (het ‘genereren van financiering’) financieel en qua status heel belangrijk voor hen. Ondernemerschap wordt zo misschien wel meer beloond dan kwaliteit als docent of onderzoeker. Hoe erg dat ook is, het is dus een goed idee om in heel brede zin na te denken over de vraag wat je wilt doen en welke klanten je daarmee gelukkig kunt maken. Binnenkort vertel ik meer over mijn ambities en klanten. En te zijner tijd een keer over die levensverhalen.

Sara Polak (copyright Hedske Vochteloo)

Sara Polak is universitair docent American Studies aan het Leiden University Centre for the Arts in Society, gespecialiseerd in Amerikaanse cultuurgeschiedenis en letterkunde. Ze doet momenteel onderzoek naar culturele herinneringen en verhalen op Twitter en schrijft voor o.a. het Leidsch Dagblad over Amerikaanse politiek, cultuur en geschiedenis.

[1]  NWO is de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, die het grootste deel van het onderzoeksbudget verdeelt.