Historici moeten leren denken als computers

Hoe staat de geschiedschrijving in Nederland er als vakgebied voor? Om hier achter te komen spreekt Niels Mathijssen voor Over de Muur dit jaar met historici van verschillende pluimage. Hoe kijken zij naar hun werk en beroepsgroep? In deze vijfde aflevering: Martijn Kleppe, hoofd Onderzoek bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

Hoewel hij er zichtbaar zin in heeft, begint Martijn Kleppe het gesprek met een voorbehoud. Eigenlijk ziet hij zichzelf niet meer echt als historicus, geeft hij te kennen. Die ontboezeming komt niet helemaal uit de lucht vallen. Kleppe houdt zich momenteel bezig met historisch onderzoek noch is hij werkzaam op een universiteit of academisch instituut. Wat hij dan wel doet? Sinds een week bekleedt Kleppe de functie van hoofd Onderzoek bij de Koninklijke Bibliotheek (KB). Onwennig zullen die eerste dagen niet zijn geweest, de onderzoeker was al langer werkzaam bij deze instelling. Hij is ook duidelijk op zijn plek in de Hofstad, Kleppe vertelt met enthousiasme en overtuiging over zijn werk. Dat klinkt natuurlijk mooi, maar waarom een gesprek over het wel en wee van de geschiedschrijving in Nederland met een zelfverklaard niet-historicus? Het kortste antwoord: digital humanities.

Foto: Jos Uljee

Kleppe zet zich al enige tijd met ziel en zaligheid in om onderzoek van geesteswetenschappers aan te vuren met de denkkracht van computers. Maar nog niet zo heel lang geleden was hij een historicus die ‘klassiek onderzoek’ deed, zoals hij het zelf beschrijft. Kleppe hield zich bezig met historische foto’s – ook aan het begin van deze eeuw door veel historici nog gezien als een controversieel type bron. Voor zijn promotieonderzoek aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit spitte hij ruim vierhonderd schoolboeken door, op zoek naar iconische foto’s die een belangrijke rol spelen in de fotografische verbeelding van het verleden – denk aan het portret van Anne Frank of de foto van het naakte Vietnamese meisje dat vlucht voor een Amerikaans napalmbombardement. Daar deed hij vier jaar over, netjes binnen de gestelde tijd voor een standaard promotietraject.

Die manier van onderzoek doen noemt Kleppe ook wel close reading, een term die geïntroduceerd is door de Italiaanse wetenschapper Franco Moretti. ‘Voor veel mensen is dat het standaardbeeld van historisch onderzoek. Dat gaat over ouderwets handwerk. Ploeteren in een archief. Mijn studie naar icoonfoto’s past ook in dat beeld. Dat was ambachtelijk onderzoek op detailniveau.’ De hoeveelheid van het materiaal is hierbij een praktische beperking. Want één persoon kan bijvoorbeeld onmogelijk alle schoolboeken die – om maar wat te noemen – in de laatste honderd jaar zijn verschenen in ieder land van Europa analyseren, laat staan dat iemand dat in vier jaar kan doen. Klassiek onderzoek doen betekent dus dat die berg bronnen ook weer niet te groot moet zijn, anders is het niet langer behapbaar voor één enkel iemand. ‘Maar eigenlijk is die afbakening vaak best arbitrair. Want waarom niet breder kijken?’ vraagt Kleppe retorisch.

Vooruitlopen

Een historicus die op hoger niveau wil kijken naar een groot aantal bronnen, kan dat tegenwoordig doen met behulp van de computer. Distant reading noemt dat, opnieuw naar Moretti. ‘Je neemt dan niet louter een steekproef meer, zoals historici gewoonlijk vaak doen, maar kunt op metaniveau kijken naar een ongelofelijke hoeveelheid bronnen. Door slimme vragen te stellen aan dat materiaal, kan je met de rekenkracht van de computer bepaalde trends blootleggen – pieken en dalen in de data, veranderingen en ontwikkelingen. Op basis van die kwantitatieve gegevens zoom je dan vervolgens in op je bronnen. Zo kun je als historicus bijvoorbeeld veel beter beargumenteren waarom je bepaalde case studies doet en gerichter vervolgonderzoek doen,’ legt Kleppe uit.

Als voorbeeld noemt Kleppe het onderzoek dat Thomas Smits bij de KB deed als researcher-in-residence. ‘Een van de vragen die hij zich stelt is wanneer kranten af zijn gestapt van het gebruik van gravures en foto’s zijn gaan publiceren. We weten dat die verandering ergens in het begin van de twintigste eeuw heeft plaatsgevonden. Maar wat was het exacte omslagpunt? Ik heb zelf met een student weleens een steekproef gedaan, in een poging om dat te bepalen. We keken daarbij naar twee kranten over cohorten van vijf jaar. Dat gaf een indicatie. Heel mooi, maar we konden dat punt nog steeds niet precies bepalen. Thomas heeft samen met een ontwikkelaar van de KB een tool ontwikkeld die naar krantenafbeeldingen kijkt en dan vaststelt of het een foto of gravure is. Dat is bij gedigitaliseerde krantenedities uit de beginjaren van de vorige eeuw gedaan en zo weten we nu heel nauwkeurig wanneer de foto zijn intrede deed.’

Wat het voorbeeld dat Kleppe aanhaalt ook laat zien is dat digital humanities geen doel op zichzelf is. Het levert instrumentarium dat historici helpt hun onderzoek beter en sneller te doen, met resultaten waar voorheen alleen over gedroomd kon worden. ‘Neem mijn eigen promotieonderzoek. Over zo’n tien jaar kan een historicus dat misschien wel in een week of twee doen,’ voorspelt Kleppe. Spijtig vindt hij dat geenszins. ‘Het lijkt me juist heel spannend om te weten of ik er ver naast zat. Mocht dat zo zijn dan vind ik dat helemaal niet erg. Het bewijst enkel het nut van deze nieuwe manier van onderzoek doen,’ zegt Kleppe vol vertrouwen.

Voorwaarde is wel dat bronnen digitaal beschikbaar moeten zijn. ‘Een paar jaar geleden waren we daar nog niet zo heel ver mee. Dat vormde een behoorlijk probleem,’ vertelt Kleppe. Maar steeds meer erfgoedorganisaties zien de noodzaak van digitalisering in. ‘Dat is een belangrijke ontwikkeling. Het aantal archieven dat digitaal beschikbaar is neemt daardoor almaar toe, hoewel er natuurlijk nog heel veel niet digitaal beschikbaar is. In Nederland zijn we op dat vlak echt goed bezig. Bij de KB hebben we bijvoorbeeld hard gewerkt aan het digitaal beschikbaar maken van het krantenarchief. En we zijn nu een heel eind op streek. Via Delpher is ons immense archief online te doorzoeken. Ik durf te zeggen dat de KB een voortrekkersrol heeft, maar we zijn zeker niet de enige. Een instituut als Beeld en Geluid is hier eveneens heel ver mee.’

Ook op een ander vlak loopt Nederland voorop, stelt Kleppe. ‘Wat we hier verder heel goed doen is het koppelen van verschillende wetenschappelijk disciplines. Dat komt door onze uitstekende infrastructuur. Programmeurs, geesteswetenschappers en onderzoekers uit andere disciplines werken samen in onderzoekconsortia aan vraagstukken die voor ieder van hen interessant zijn. Dat multidisciplinair samenwerken moeten we echt koesteren en ook vooral verder ontwikkelen.’ Dat dit laatste zal gebeuren lijkt vast te staan. Eerder deze week werd bekend dat NWO bijna 14 miljoen euro beschikbaar stelt om de infrastructuur voor de digitale geesteswetenschappen verder te ontwikkelen.

Tussenfase

Kleppe ziet digital humanities als een eerste stap naar vernieuwing van het historische vakgebied. ‘Nu staat het nog op zichzelf. Maar ik verwacht dat onderzoek doen met behulp van computers een integraal onderdeel wordt van het historische vakgebied.’ Het is dan wel belangrijk dat historici nieuwe vaardigheden opdoen, benadrukt Kleppe. ‘Ze moeten bijvoorbeeld computationeel leren denken. Dat betekent dat je weet hoe een computer denkt en hoe je onderzoeksopdrachten kan formuleren die het gewenste resultaat opleveren als een computerprogramma ze uitvoert. Dat is echt anders dan wat de doorsnee historicus nu gewend is. Je moet heel letterlijk zijn in je formulering en alles stapje voor stapje beschrijven. Eigenlijk zoals programmeren ook werkt.’

‘Op basisscholen worden kinderen al getraind in dat computationeel denken. Bij mijn weten gebeurt dat op geschiedenisfaculteiten nog erg beperkt, maar ze zouden hier een voorbeeld aan moeten nemen,’ vindt Kleppe. ‘Simpelweg omdat deze manier van onderzoek doen de toekomst heeft.’ Ook vergroot het de kansen van historici op de arbeidsmarkt. ‘Organisaties en bedrijven hebben steeds meer de behoefte aan alfawetenschappers die grote vragen kunnen stellen en daarnaast de competenties hebben om die met digitale toepassingen te beantwoorden,’ benadrukt Kleppe.

Maar niet alleen hierom is het goed om verder te investeren in digital humanities. Het dient volgens de onderzoeker het maatschappelijke belang ook op een bijzondere wijze. ‘Alle tools die we bouwen bij de KB stellen we beschikbaar voor het publiek. Van al die open source-toepassingen maken vele duizenden amateurhistorici gebruik. Delpher is daar misschien wel het beste voorbeeld van. Door digital humanities worden archieven steeds beter beschikbaar voor steeds meer mensen. Het verleden was nog nooit zo toegankelijk.’ En dat is bepaald geen klein geld maar juist een groot goed, vindt Kleppe.

Meer informatie over het werk en publicaties van Martijn Kleppe vind je hier. Of volg hem op Twitter.

Niels Mathijssen is historicus en journalist. Hij publiceert over geschiedenis en historische beeldvorming op onder andere de Correspondent en in De Groene Amsterdammer.