Hoezo inclusieve geschiedenis?

Vandaag beginnen in Groningen de Historicidagen: onder het vaandel van Inclusieve geschiedenis willen de beroepsorganisatie voor historici in Nederland en Vlaanderen (KNHG) en de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) de toegankelijkheid van de Nederlandse geschiedschrijving ter discussie stellen. Leuk allemaal, dat gepraat over inclusieve geschiedenis, maar hoge toegangskosten zorgen er voor dat historici werkzaam buiten de academie worden buitengesloten.

Openingsrede van professor Pos tijdens het philologisch congres op 25 april 1946. (Nationaal Archief CC-BY)
Openingsrede van professor Pos tijdens het philologisch congres op 25 april 1946. (Foto: Bram Wisman / Fotocollectie Anefo, Nationaal Archief CCO)

Hoge prijs   

Wie mee wil praten over heersende uitsluitingsmechanismen in onze geschiedenis betaalt een hoge prijs. De organisatie heeft de mogelijkheid voor dag-tickets namelijk genegeerd. Meedoen betekent drie dagen aanwezig zijn – of in ieder geval voor drie dagen betalen. Omdat het congres dit jaar in Groningen is (voor velen best ver), lopen de kosten nog verder op: naast de registratiekosten van € 110 voor KNHG leden (€ 135 voor niet-leden) komen er ook nog eens overnachtings- of reiskosten voor drie dagen bij.

Voor historici die verbonden zijn aan een universiteit of instituut is dit geen probleem. In verreweg de meeste gevallen krijgen zij hun kosten – grotendeels of helemaal – vergoed. Zij kunnen die declareren bij hun werkgever. Dat is gebruikelijk in de academische cultuur, waar je als spreker op een congres niet betaald krijgt maar vaak juist zelf betaalt. Maar mensen die niet in zo’n positie zitten kunnen de hoge prijs niet declareren en moeten de toegangskosten voor een congres als de Historicidagen helemaal zelf ophoesten.

Een ander geluid

Wie vallen er dan al snel buiten de boot? ZZP-ers, jonge historici, en activisten die zich buiten de academie om met het verleden bezighouden. Dat is kwalijk, want wanneer we het over inclusieve geschiedenis hebben zijn dit vaak de mensen die een ander geluid laten horen. En dat geluid is broodnodig voor universiteiten en instituten.

De Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië zouden bijvoorbeeld nooit onderzocht zijn als activisten ze niet bleven agenderen. Kritisch onderzoek naar de Nederlandse slavernijgeschiedenis kwam pas echt op gang na een lange maatschappelijke strijd, die overigens nog altijd voortduurt. En ook kennis over de ontstaansgeschiedenis van Zwarte Piet wordt nu buiten de universiteit om, door historicus Roelof Jan Minneboo en Kick Out Zwarte Piet-voorman Jerry Afriyie, in lespakketten verspreid.   

Hypocriet

Door hier geen rekening mee te houden, geven de Historicidagen het signaal af dat Geschiedenis een vak is dat vooral onderzocht en bevraagd wordt aan de universiteit. Dat is een vorm van academisch snobisme: collega’s van buiten de academische wereld worden buitengesloten. Zodoende ontstaat er een duidelijke tweedeling in het historische veld. En in plaats van dat de organisatie meedenkt hoe die tweedeling overbrugd kan worden – met dag-tickets, een meer centrale locatie en het financieren van het evenement op een alternatieve manier, inclusief de toegangsprijzen – houdt ze die niet alleen in stand, maar bevordert ze die onverhoopt ook nog eens.

Dat is hypocriet, vooral wanneer dit onder het mom van Inclusieve geschiedenis gebeurt. Zo’n thema schept bepaalde verwachtingen. Naar buiten toe wordt uitgedragen dat er dingen gaan veranderen, en dat er kritisch naar de eigen verantwoordelijkheid in dat veranderingsproces wordt gekeken, maar tegelijkertijd wordt er  intern een onderscheid in stand te houden.

Oproep

Historici die wèl naar de Historicidagen gaan en inclusiviteit serieus nemen roepen we op zich luid en duidelijk uit te spreken tijdens het evenement. Spreek de organisatie aan op hun verantwoordelijkheid, stel de door hen gemaakte keuzes aan de orde tijdens de paneldiscussies, spreekbeurten en de activiteiten daarbuiten. Hopelijk is er over twee jaar, tijdens de volgende editie, dan echt iets veranderd.

Tijdens de Historicidagen kaarten de auters samen met Historisch Tijdschrift Groniek de hierboven genoemde problematiek verder aan in ons panel ‘(On)zichtbaar zijn’.

Stichting Jonge Historici (vlnr: Simone Vermeeren, Marieke Dwarswaard, Jorieke van der Schaaf, Joni Peek,  Paul Folten, Rosanne Schot, Jilt Jorritsma. Niet afgebeeld: Roos Hamelink, Hannah Bakx) ondersteunt (jonge) historici, onder meer door hen een podium te geven.