Laat scholieren geschiedenis schrijven

Leerlinggestuurde onderzoeksprojecten hebben het schoolvak geschiedenis veel te bieden, zeker wanneer leerlingen zich onderweg bewust worden van het geconstrueerde karakter van het verleden. Opdrachten rond brede vraagstukken zoals betwist erfgoed of verzwegen geschiedenis lenen zich hier bij uitstek voor.

Ineens kom je ze tegen, vaak wanneer je het niet helemaal verwacht: de clichés over het schoolvak geschiedenis. Critici – van brugklassers tot politici – associëren de geschiedenisles met talloze jaartallen, droge begrippen en stoffige personages. Het behandelde verleden zou niet representatief zijn voor de pluriforme samenleving en het vak zou leerlingen zaken leren die in de eenentwintigste eeuw in een oogwenk op het internet te vinden zijn. Hoewel dergelijke clichés vanzelfsprekend ongenuanceerd zijn, blijven leerlingen in veel lesmethoden doorgaans consumenten van geschiedenis: ze krijgen materiaal aangereikt. Zelfs als het verleden in de meest activerende en speelse werkvormen gepresenteerd wordt, zijn het docenten, methodemakers en academici die ze vormgeven. Maar wat als we de rol van de leerling fundamenteel anders zouden interpreteren? Wat als leerlingen geen consument maar producent van geschiedenis zouden worden? Wat als de scholier zou leren geschiedenis te schrijven?

Constructivistisch bewustzijn

Het schoolvak kan meer lijken op het werk van professionele historici. Natuurlijk horen hier realistische verwachtingen bij. Leerlingen zullen niet direct de onderzoeksvaardigheden van studenten of academici evenaren. Maar ten minste één belangrijk verschil tussen professionals en leerling-historici kan wel overbrugd worden: professionele historici weten dat geschiedenis gemaakt is. Voor hen is het vanzelfsprekend dat geschiedenis geschreven wordt en dat de wetenschapper te allen tijde keuzes maakt die de methode en het corpus – en daarmee de uitkomst – bepalen. Dit cruciale element van historisch onderzoek blijft binnen het middelbaar onderwijs regelmatig onderbelicht. Om leerlingen daadwerkelijk scholier-historici te laten zijn, moeten we hen laten zien en ervaren dat geschiedenis niet enkel het product is, maar tevens – of zelfs bovenal – het proces dat hieraan voorafgaat.

Voorbeeld: Betwist erfgoed
In deze praktische opdracht bestuderen leerlingen materiële en immateriële erfgoeditems die maatschappelijke discussies veroorzaken, zoals de Muur van Mussert, de Coentunnel of Zwarte Piet. Tweetallen richten zich uiteindelijk op één zelfgekozen erfgoeditem. Onderweg ontwikkelen leerlingen een persoonlijke definitie van erfgoed en schetsen ze een profiel van het gekozen erfgoeditem. Leerlingen bestuderen het erfgoeditem vanuit verschillende perspectieven om zodoende te begrijpen waarom het zo beladen is. Uiteindelijk leidt deze oefening in multiperspectivisme tot een concreet advies om het erfgoedconflict op te lossen: kan het gekozen erfgoeditem ongewijzigd behouden blijven, dient het item verwijderd te worden of leidt een bepaalde aanpassing tot de meest geslaagde uitkomst? Zeker in dit laatste geval bestaat voor leerlingen voldoende mogelijkheid om maatwerk te leveren en interessante compromissen te sluiten. Op deze manier ontdekken leerlingen dat erfgoed een diffuus begrip is en dat de omgang met het verleden continu aan discussie onderhevig is.

Een startpunt voor geschiedenisonderwijs waarin leerlingen daadwerkelijk participeren in het creëren van kennis is het leerlinggestuurde onderzoeksproject. Dergelijke projecten hebben allerlei voordelen. Scholieren leren onderzoeksvragen te stellen en complexe teksten te selecteren en lezen. Daarnaast ontwikkelen zij diverse vakoverstijgende vaardigheden. Leerlinggestuurde opdrachten onderstrepen bovendien de autonomie en de ervaring van competentie bij leerlingen. Een geslaagde opdracht lokt discussies uit en leidt zodoende tot wederzijds motiverende gesprekken. Leerlinggestuurd onderzoek heeft nog een belangrijk voordeel: het biedt de mogelijkheid om onderzoek op eindeloos veel manieren in te steken. In plaats van één top-down georganiseerd discours, waarbij leerlingen dé tijdvakken en dé bijbehorende kenmerkende aspecten leren, bestaat de gelegenheid voor leerlingen om een eigen kijk op het verleden te ontwikkelen. Hiermee ontstaat voldoende gelegenheid voor nieuwe, pluriforme en multiperspectivistische geschiedenissen.

Standbeeld van Jan Pieterszoon Coen te Hoorn, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Via Wikimedia Commons

Het aanmoedigen van een constructivistische houding aan de hand van opdrachten draagt wel een paradox in zich. Als leerlingen zich bewust moeten worden van het geconstrueerde en subjectieve karakter van geschiedschrijving, waarom is het dan aan de docent om te bepalen welke onderwerpen leerlingen bestuderen? In deze paradox bevindt zich gelukkig tevens een oplossing: vertel de klas niet waarover zij het gaan hebben, niet volledig althans. Kader een thema af – erfgoed, stereotypering, roofkunst, canons, periodisering – en stel een paar spelregels op over de vorm. Daarna zijn de leerlingen aan zet. Thema’s waarbij het constructivistische karakter van het object relatief eenvoudig aan te wijzen zijn, lenen zich bij uitstek voor dergelijke onderzoeksopdrachten. Neem betwist erfgoed. Om daadwerkelijk inzicht te krijgen in de vraag wanneer en waarom erfgoeditems omstreden kunnen zijn, moeten leerlingen complexe en kritische vragen stellen. Wat is erfgoed? Waarom is jouw erfgoed niet het mijne? Waarom veranderen opvattingen over erfgoed? Waarom roepen sommige erfgoeditems bij de één hoogdravende chauvinistische gevoelens op en bij de ander bovenal pijn en verdriet?

Voorbeeld: Verzwegen geschiedenis
Dit onderzoekstraject bestaat uit een kort onderzoeksvoorstel en een uitgebreider leerlingonderzoek. Leerlingen gaan op zoek gaan naar een historisch onderwerp dat niet of nauwelijks in de lesmethode wordt besproken en waarvan zij overtuigd zijn dat het een plaats verdient in het curriculum. Idealiter duiken leerlingen in een onderwerp dat pijnlijk of taboe is. De vervolging van Alan Turing, koloniale strafexpedities in Nederlands-Indië en de Armeense genocide zijn voorbeelden die voorbijkomen. Het onderzoek krijgt gestalte in een verslag waarin leerlingen hoofd- en deelvragen beantwoorden. Daarnaast worden de resultaten in een creatief eindproduct gegoten: van podcasts tot bordspellen en van web-exposities tot minidocumentaires. Leerlingen laten zien dat het verleden niet bestaat uit een vaststaande opeenvolging van grote gebeurtenissen maar dat het historisch curriculum altijd vorm krijgt in de handen van historici en andere belanghebbenden.

Kritisch burgerschap

Leerlinggestuurde onderzoeksprojecten met een constructivistische inslag bieden niet enkel voordelen binnen het schoolvak geschiedenis, maar ook binnen breder burgerschapsonderwijs.  Waarom zouden wij leerlingen voorschotelen welke normen en waarden – westers, joods-christelijk, humanistisch, verlicht – belangrijk zijn? Waarom kunnen we leerlingen niet kennis laten maken met het feit dat normen en waarden niet universeel of natuurlijk, maar het product van voortdurende discussie zijn? Geschiedenisdocenten die kritische, empathische en autonome burgers willen afleveren, zullen de leerling als maker centraal moeten stellen. Laat scholieren geschiedenis schrijven en werken aan constructivistisch bewustzijn. Laat hen zelf ontdekken dat geschiedschrijving niet de zoektocht naar één universele waarheid is, maar juist het creëren en nuanceren van interpretaties over het verleden.

 

Floris van Alebeek is geschiedenisdocent en cultuurhistoricus. Zijn professionele interesses zijn leerlinggestuurd onderwijs, cultureel constructivisme en kritisch burgerschap.