Minder witte-mannengeschiedenis is goed voor iedereen

Hoe staat de geschiedschrijving in Nederland er als vakgebied voor? Om hier achter te komen spreekt Niels Mathijssen voor Over de Muur dit jaar met historici van verschillende pluimage. Hoe kijken zij naar hun werk en beroepsgroep? In deze tweede aflevering: Radboud hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis en arabiste Maaike van Berkel.

Bij veel Nederlanders roept de term ‘kalifaat’ direct beelden op van gruwelijke onthoofdingen en massa-executies. Zij denken aan de Islamitische staat die Abu Bakr al-Baghddi in 2014 uitriep nadat hij met zijn aanhangers in ongekend tempo grote delen van Syrië en Irak veroverde. Een kalifaat wordt met andere woorden door de meesten mensen geassocieerd met het ultieme kwaad. Maar voor veel moslims ligt dat anders, stelt Maaike van Berkel. Zij hebben veel positievere associaties bij dat woord. Niet omdat ze sympathiseren met de terroristen van IS. Integendeel, volgens Van Berkel voelen maar relatief weinig moslims zich aangetrokken tot de gruwelijke ideologie van Al-Baghddi.

Voor hen refereert de term ‘kalifaat’ ook aan een periode waarin verschillende stromingen binnen de Islam in relatieve harmonie naast elkaar konden bestaan. Sommigen denken daarbij vooral terug aan een periode in de geschiedenis, het rijk van de Abbasiden, dat zich in de negende eeuw uitstrekte van het huidige Algerije tot hedendaags Afghanistan. Bagdad was het centrum – met ruim vijfhonderdduizend inwoners destijds groter dan iedere Middeleeuwse stad in West-Europa. Bagdad kende een bloeiende cultuur, een relatief tolerante houding tegen christenen en joden en er heerste grote interesse in literatuur en filosofie uit andere delen van de bekende wereld. Heel anders dus dan dat kalifaat van IS.

Je moet dat alles natuurlijk wel in de juiste historische context zien, benadrukt Van Berkel. ‘Het kalifaat van de Abbasiden was een premodern rijk. Net zoals in Europese Middeleeuwse rijken was er autoritair gezag, heersers die politieke tegenstanders uit de weg ruimden en werden er soms ook handen en hoofden afgehakt.’ Het gaat de hoogleraar dan ook niet zozeer om het afsteken van de loftrompet over de Abbasiden. ‘Ik vind het vooral belangrijk om de diversiteit van de Arabische geschiedenis te laten zien. Want die is erg veelzijdig en meerstemmig.’ Maar juist zulke geluiden hoor je naar de mening van Van Berkel veel te weinig. ‘Ik citeer bijvoorbeeld vaak homo-erotische poëzie voor studenten, om maar te laten zien dat die er ook was in het kalifaat van de Abbasiden. Allerlei rechtsgeleerden en religieuze autoriteiten spraken zich hiertegen uit. Er waren stevige debatten over. Maar hoe je het ook stelt, het bestond wel.’

Over zulke literatuur is in de propaganda van IS uiteraard niets te vinden. Islamitische Staat refereert gretig aan de eerste eeuwen van de islam, maar doet dat op een tamelijk selectieve en kortzichtige manier. Zo claimen ze de Arabische geschiedenis op een oneigenlijke wijze, waarschuwt Van Berkel. Met alle gevolgen van dien. ‘Want ook wij in het Westen staan onder invloed van die propaganda. Alles wat met Islam of het Midden-Oosten te maken heeft, wordt inmiddels door een groeiend aantal Nederlanders met angst bejegend en gezien als ongewenst,’ aldus de hoogleraar. Dat is volgens haar niet alleen onterecht, maar ook onwenselijk.

Beperkte blik

Het leren kijken naar het verleden en de wereld met een ander perspectief is erg waardevol, vindt Van Berkel. ‘Je verruimt zo je blik en leert je eigen positie én die van anderen kritischer te bezien. Dat is alleen maar gezond. Maar op dat vlak is er nog heel wat werk te verrichten, onze geschiedschrijving is nu weinig divers. We bedienen ons ten eerste heel erg van een eurocentrisch perspectief. Daarmee beperken we ons en dat is jammer – en dan niet voor een ander maar voor onszelf. In het Abbasiden-rijk woonden miljoenen mensen, ontstond een wereldgodsdienst, vonden tal van ontwikkelingen plaats die niet alleen het Westen beïnvloed hebben maar ook op zichzelf interessant zijn. En zo waren er meer van zulke rijken, bijvoorbeeld in China, die even groot waren als dat van de Romeinen.’

Daarnaast is het volgens Van Berkel goed dat leerlingen en studenten uit verschillende groepen in onze samenleving zich kunnen herkennen in de geschiedenis die hun onderwezen wordt. ‘Ik was laatst op een nascholingsdag in Leiden voor geschiedenisdocenten en daar sprak schrijver Abdelkader Benali over het geschiedenisonderwijs dat hij gekregen had op de middelbare school. Hij vond het vak op zichzelf erg interessant maar miste de aansluiting met zijn eigen achtergrond compleet. Als het verleden alleen over witte mannen gaat – zowel de helden als de boeven – dan haken scholieren uit bepaalde groepen af. Die hebben dan het gevoel dat ze er niet bij horen, dat zij de ander zijn. Dat kan niet de bedoeling zijn.’

‘Ik weet dat veel mensen er vandaag de dag anders over denken, het gaat in tegen het politieke klimaat,’ vervolgt Van Berkel, ‘maar als je kan laten zien aan scholieren dat de geschiedenis van het Midden-Oosten veel meer is dan wat Islamitische Staat er van maakt, dan kweek je burgers die kritischer zijn en daarmee beter bestand tegen zulke propaganda. Natuurlijk zijn jongeren in die leeftijd met heel veel andere dingen bezig, ik maak me echt geen illusies, maar het is desalniettemin goed om toch zulk tegenwicht te bieden.’

Benali zei daarnaast nog iets wat Van Berkel in liet zien waarom divers geschiedenisonderwijs belangrijk is. ‘Hij vertelde over zijn dochtertje. Hij zei dat hij haar zal moeten voorbereiden op het opgroeien in een wereld waar een deel van haar achtergrond, haar cultuur, regelmatig als minderwaardig wordt neergezet. Dat vind ik schrijnend. Volgens politici als Thierry Baudet en Edith Schippers moeten we vooral trots zijn op onze westerse cultuur, want die is nu eenmaal dominant en beter. Ik denk dat zo’n kijk op het verleden of onze samenleving vooral verstikkend werkt en daarmee onwenselijk is.’

Met zulke voorbeelden voor ogen, zet Van Berkel zich in om geschiedenisonderwijs op middelbare scholen diverser en daarmee inclusiever te maken. ‘Ik ben bijvoorbeeld met de commissie wereldgeschiedenis van de Vereniging voor Geschiedenisleraren aan het nadenken hoe we het curriculum kunnen aanpassen. Maar ook op de universiteiten is er werk aan de winkel. De geschiedschrijving die academici voortbrengen moet ook meerstemmiger worden. Dat gaat me echt aan het hart. Daarom is het belangrijk om meer etnische veelzijdigheid te krijgen op de geschiedenisfaculteiten – ik heb het dan over zowel studenten als medewerkers. Dat proces moeten we versnellen, net zoals we op een gegeven moment hebben gedaan met vrouwen.’

Priesters en heren

Maar de geschiedschrijving is niet alleen door dat eurocentrische perspectief zo weinig divers, stelt Van Berkel. ‘Het verleden wordt vooral bezien met de blik van mannen. Dat is niet heel gek, als je kijkt naar het bronmateriaal dat voor handen is. In de meeste gevallen zijn gebeurtenissen opgetekend door de elite. Voor het grootste deel van de Middeleeuwen in Europa geldt dat die bestond uit de clerus – mannen dus. Pas in de Late Middeleeuwen ging ook de stedelijke en adellijke elites schrijven. Maar ook dat waren op enkele zeer interessante uitzonderingen na, mannen. Het bronmateriaal waar we mee moeten werken is wat dat betreft vrij eenduidig. En dat is voor het Midden-Oosten niet anders.’

‘Het vrouwelijke perspectief is daardoor lange tijd veel minder vanzelfsprekend geweest. Gelukkig is dat nu niet meer zo, of toch in de meeste kringen is dat niet meer zo, maar het vergt nog steeds meer tijd en energie om een niet-mannelijk-perspectief uit de bronnen te halen.’ Het blijft volgens Van Berkel als historicus zo een worsteling om je te ontdoen van die eenzijdige kijk op het verleden – of het nou dat eurocentrische witte perspectief is of de blik van die onvermijdelijke man. ‘Maar zo’n ander perspectief boven water halen is natuurlijk niet alleen zwoegen,’ relativeert de hoogleraar. ‘Het is bovenal ook spannend en uitdagend. Want laten we vooral ook niet vergeten hoe mooi ons vak wel niet kan zijn.’

Niels Mathijssen is historicus en journalist. Hij publiceert over geschiedenis en historische beeldvorming op onder andere de Correspondent en in De Groene Amsterdammer.