Nederlandse historici mogen wel wat vaker kleur bekennen

Hoe staat de geschiedschrijving in Nederland er als vakgebied voor? Om hier achter te komen spreekt Niels Mathijssen voor Over de muur dit jaar met historici van verschillende pluimage. Hoe kijken zij naar hun werk en beroepsgroep? In deze aflevering: James Kennedy, hoogleraar moderne Nederlandse geschiedenis en decaan van het University College in Utrecht.

James Kennedy is bepaald geen flapuit. De Utrechtse hoogleraar kiest zijn woorden zorgvuldig en neemt daar als het nodig is de tijd voor, zo blijkt. Tijdens het interview stopt hij meer dan eens halverwege een zin met praten, om vervolgens in gedachten te wikken en te wegen, op zoek naar de juiste formulering. De stiltes die daardoor in het gesprek vallen neemt de Amerikaan voor lief. Maar desondanks komt hij geen moment gereserveerd over. James Kennedy spreekt vrijuit en bovendien in klare taal.

Bijvoorbeeld over de Amerikaanse geschiedschrijving, die in vergelijking met de Nederlandse van oorsprong veel ‘thetischer’ is, zoals Kennedy het noemt. Amerikanen nemen sneller stelling, gaan het debat meer aan – en als het moet doen ze dat met gestrekt been, zegt de hoogleraar. ‘Historici in de Verenigde Staten schrijven geschiedenis alsof ze in een rechtbank een jury moeten overtuigen van hun gelijk,’ stelt hij. Belangrijk daarbij is dat ze geen enkel tegenargument laten liggen. Making the best case noemt James Kennedy dat. Doe je dat niet dan weten je tegenstanders daar wel raad mee.

Kleurloze verkaveling

Hoe anders is dat in Nederland. Onder historici is hier maar weinig fundamenteel debat gaande. ‘Dat wordt vaak verklaard uit het feit dat Nederland relatief klein is. Men spaart hier liever de kool en de geit, is de gedachte,’ meent Kennedy. ‘Ik denk dat de grootte van Nederland wel een oorzaak is, maar om een andere reden. Er zijn hier heel weinig mensen die precies dezelfde deskundigheid hebben. Onder historici in Nederland bestaat een soort verkavelingsmentaliteit. Iedereen doet iets anders en zo zitten we niet in elkaars vaarwater. Die specialiteiten bakenen we vervolgens goed af en op die manier is iedereen redelijk soeverein op diens eigen terrein.’

Daarnaast merkt Kennedy op dat Nederlandse historici als beroepsgroep weinig ideologisch geïnspireerd zijn – of zoals de hoogleraar het formuleert, als groep zijn ze sterk ‘ongeïdeologiseerd’. Er heerst bovendien een cultuur waarin maar weinig waarde gehecht wordt aan zoiets als Auseinandersetzung. Confrontaties worden liever uit de weg gegaan. ‘Allemaal redenen waarom zulke debatten hier niet van de grond komen. Het is natuurlijk ook zo dat wanneer je iemand aanspreekt je zelf ook kleur moet bekennen, duidelijk moet laten zien waar je voor staat. Daar wil men hier doorgaans niet aan, vinden veel historici lastig’ vindt Kennedy.

In de Verenigde Staten is het op dit moment dan weer doorgeslagen naar de andere kant. Kennedy: ‘Daar is nu álles ideologisch en de strijd overal aanwezig. Je moet daardoor steeds oppassen bij wat je zegt. Amerikaanse historici zijn daarbij het contact met de samenleving totaal kwijt. Ze hebben als groep veel linksere denkbeelden dan gangbaar is in de samenleving. Amerikaanse historici laten hun opvattingen ook nog eens veel scherper doorklinken in hun werk dan in Nederland gebeurt. Ze zijn dus politiek gemotiveerd, maar ook vervreemd.’ Dat geldt overigens eveneens voor veel intellectuelen. Ze vechten tegen de bierkaai, aldus Kennedy.

De Amerikaanse situatie is dus ook zeker niet ideaal, naar mening van de hoogleraar. Hij ziet een middenweg tussen de Amerikaanse en Nederlandse modus operandi als het meest wenselijk. ‘In Nederland bestrijden we elkaar maar zelden. Dat zouden we meer mogen doen. Laten zien hoe wij als historici ons echt van elkaar onderscheiden, ook op ideologisch vlak. Die discussie mogen we trouwens ook aangaan met wetenschappers uit andere disciplines, als het onderwerp daarom vraagt. Nu is het zo dat als er toch een verschil van mening blijkt te zijn, de eerste impuls is om te zeggen dat we het op een hoger niveau toch eens zijn. Dat is echt teveel van het goede. Laten we het als wetenschappers vooral vaker grondig oneens zijn met elkaar.’

Windstil

Natuurlijk komt er wel eens een discussie op gang, Kennedy wil ook weer niet beweren dat het totaal windstil is in het Nederlandse wetenschapslandschap. Hij ervaarde het zelf, toen zijn boek Nieuw Babylon in aanbouw, over Nederland in de jaren zestig, uitkwam in 1995. In dezelfde week werd het boek De eeuwige jaren zestig, van historicus Hans Righart, gepubliceerd. Op een aantal punten hadden ze verschil van inzicht.

Righart was daarbij de gevestigde autoriteit, Kennedy de nieuwkomer. De Amerikaan had het gevoel dat Righart het niet heel leuk vond dat iemand zijn onderzoeksgebied betrad. Onvermijdelijk kwam er dus een clash, hetzij in Nederlandse proporties. ‘We zijn een paar keer samen op de radio geweest. Later heeft de Sociologische Gids een issue gewijd aan mijn boek. Hans mocht daarin ook iets zeggen over Nieuw Babylon. En in het Historisch Nieuwsblad hebben we elkaars werk gerecenseerd.’ Volgens Kennedy is dat hoe het hoort: je gaat de confrontatie aan, hoewel het debat feller had gekund. Ideologische dimensies bleven totaal buiten beschouwing, stelt Kennedy al terugkijkend vast.

Bij het verschijnen van zijn laatste boek, Een beknopte geschiedenis van Nederland, bleef een polemiek zoals die met Rigthart in eerste instantie volledig uit. In kranten en dagbladen werd zijn werk als gedegen bestempeld, van de kant van vakgenoten bleef het stil. Opmerkelijk, want over de Nederlandse geschiedenis is op dit moment genoeg te doen. ‘Misschien is mijn toon in het boek te standvastig of zien recensenten het werk als een handboek zonder uitgesproken mening,’ zegt Kennedy. ‘Terwijl ik wel degelijk keuzes heb gemaakt.’

‘Wellicht is het ook lastig om diepgaande kritiek te geven omdat een recensent of historicus dan ook moet beschrijven hoe het dan wél zit, zijn eigen kijk op de geschiedenis moet geven.’ Zulke kritiek is er momenteel niet, maar gaat er binnenkort mogelijk wel komen: het academische tijdschrift BMGN – Low Countries Historical Review heeft aan Bob Moore en Anjana Singh – twee historici met kennis van zaken, gevraagd een recensie te schrijven over het boek van Kennedy. Die laatste mag daar dan weer op reageren in het tijdschrift. Kennedy doet dat graag. ‘Ik sta zeker open voor kritiek, vooral als die architectonisch van aard is.’

Brede faculteiten

Om kort te gaan: de Nederlandse historicus valt doorgaans weinig debat of stevige kritiek ten deel. Maar dat is niet het enige verschil met de situatie aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. In de Verenigde Staten worden geschiedenisstudenten volgens Kennedy veel breder opgeleid. ‘Nadat ik was afgestudeerd aan de University of Iowa, gaf ik meerdere jaren les. Dat is in Amerika volstrekt normaal om aan het begin van je academische carrière te doen. Daarnaast wordt van je verwacht dat je je bekwaamt in verschillende historische onderwerpen. Bij mij was dat intellectuele, Duitse en Amerikaanse koloniale geschiedenis. Pas toen ik in die drie vakken succesvol examens had afgelegd, kon ik aan mijn PhD beginnen.’

Kennedy vindt dat ook geschiedenisfaculteiten in Nederland gebaat zouden zijn bij zo’n bredere opzet. ‘Iedere geschiedenisfaculteit moet naar mijn mening verschillende type talenten in huis hebben – onderzoekers, docenten, ‘popularisatoren’. Verder is mijn aanbeveling: verplicht studenten om zich ook bezig te houden met andere vakgebieden. Alleen met geschiedenis kom je er niet meer. Zorg dat de invulling van keuzeruimte niet bij de studenten ligt maar maak daar pakketten voor – bijvoorbeeld een met sociologie, een gericht op de humanities. Nederlandse historici zijn de afgelopen twintig jaar echt veel beter geworden. Zo’n bredere benadering kan dat verder versterken. Dat zou naar mijn mening goed zijn voor het hele vakgebied.’

Niels Mathijssen is historicus en journalist. Hij publiceert over geschiedenis en historische beeldvorming op onder andere de Correspondent en in De Groene Amsterdammer.