Toegepaste Geschiedenis: van problematisch tot probleemgericht

Toegepaste geschiedenis wordt vaak verward met publieksgeschiedenis. Maar sinds de term in 2016 opnieuw prominent opdook, onderscheidt ‘applied history’ zich steeds duidelijker als een zelfstandige, probleemgerichte historische activiteit.

In het voorjaar van 2019, toen fysieke lessen nog de normaalste zaak van de wereld waren, gaf ik in Leuven een gastcollege over toegepaste geschiedenis aan de studenten van het vak ‘Publieksgeschiedenis’. Hoewel beide termen geen vaste definitie kennen, legde de vakdocent me tijdens de pauze toch een prangende stelling voor: is toegepaste geschiedenis niet gewoon een andere naam voor publieksgeschiedenis?

Sindsdien blijft die vraag me achtervolgen. Sommige historici argumenteren dat toegepaste geschiedenis een eenvoudige herhaling is van het aloude pleidooi voor ‘populaire’ geschiedenis, terwijl anderen stellen dat de naam alleen al op een duidelijk onderscheid wijst: publieksgeschiedenis is ‘voor een breed publiek’ terwijl toegepaste geschiedenis ‘ergens op toegepast wordt’. Critici werpen dan weer op dat de beide termen sinds de jaren ’70 volstrekt synoniem zijn, terwijl voorstanders beweren dat die gelijkstelling misschien klopt in een Amerikaanse context, maar zeker niet in een Europese. Een enkele publiekshistoricus reageert zelfs wat korzelig, omdat hun jarenlange activiteiten nu ongevraagd een nieuw label lijken te krijgen. En toch: wie de initiatieven van de afgelopen jaren van naderbij bekijkt, stelt vast dat toegepaste geschiedenis intussen een nieuwe en heldere identiteit heeft ontwikkeld.

Wikipedia en manifesten

Het (her)ontdekken van toegepaste geschiedenis leidde inderdaad initieel tot veel verwarring. Illustratief daarvoor is Wikipedia. Wie in maart 2017 het lemma ‘applied history’ opzocht, las toen dat de term synoniem is met ‘public history’ en vooral draait om musea, erfgoed, archieven en documentaires. Wie een maand later Wikipedia raadpleegde, las echter dat toegepaste geschiedenis gelijkstaat aan “het belichten van hedendaagse uitdagingen via de analyse van historische precedenten en analogieën”. Plots waren de verwijzingen naar andere vormen van niet-academische geschiedenis nagenoeg volledig verdwenen en bleek dat ‘applied historians’ zich in de eerste plaats bezighouden met actuele beleidsvraagstukken.

De oorzaak daarvoor lag bij het Applied History Manifesto van eind 2016. Daarin betoogden Graham Allison en Niall Ferguson dat beleidsmakers te weinig historisch besef hebben en dat historici nauwer betrokken moeten worden bij het besluitvormingsproces, bijvoorbeeld via de oprichting van een White House Council of Historians. Het is deze interpretatie die nagenoeg letterlijk werd overgenomen op Wikipedia en die later ook elders opdook, bijvoorbeeld in het Manifest voor ‘Applied History’ van Beatrice de Graaf, Lotte Jensen, Rina Knoeff en Catrien Santing. Daarmee leek het verschil voor velen meteen helder: publieksgeschiedenis is gericht op allerlei soorten niet-academische doelgroepen; toegepaste geschiedenis enkel op toehoorders met een beleidsfunctie.

Toegepaste geschiedenis als internationaal begrip

Toch is dat onderscheid evengoed problematisch, in de eerste plaats omwille van de historische diversiteit van de beide begrippen. Wat bijvoorbeeld met het feit dat Benjamin Shambaugh, de vroegste Amerikaanse voorstander van applied history, wel eens de ‘father of public history’ wordt genoemd? Hoe verhoudt een beleidsgerichte definitie zich tegenover de veelvormige ontwikkeling van de Duitse term ‘angewandte Geschichte’? Hoe leg je toegepaste geschiedenis uit in Frankrijk, waar (beleidsgerichte) historische consulting aanvankelijk als ‘Public Histoire’ gebeurde? En wat is de meerwaarde van applied history voor Britse historici die al jarenlang beleidsadvies formuleren onder de noemer ‘History and Policy’?

De actuele situatie is niet minder complex. Wereldwijd zijn er meer dan een dozijn opleidingen toegepaste geschiedenis, waarvan slechts een deel expliciet beleidsgericht is. De beide termen vloeien daarbij vlot in elkaar over: de Australische History and Policy website, bijvoorbeeld, verwijst slechts incidenteel naar toegepaste geschiedenis, terwijl het Centre for Applied History in Sydney zich inspireert op gelijksoortige ‘public history centers’. En wie het lopende academische debat erop naslaat, zal merken dat de definities geopperd in het Applied European Contemporary History Network en in The Public Historian niet samenvallen met de interpretaties van de nog recentere projecten Corvus, RETOPEA en het Journal of Applied History. Het idee dat toegepaste geschiedenis zich enkel met beleid bezighoudt, is daarbij een wat jammere vereenvoudiging (en een misinterpretatie van de beide manifesten), gebaseerd op het gegeven dat vele projecten inderdaad beleidsmakers als belangrijkste doelgroep hebben.

Van problematisch naar probleemgericht

Die interne variëteit wil echter niet zeggen dat toegepaste geschiedenis automatisch hetzelfde is als publieksgeschiedenis. Vandaag de dag is het definiërende element niet langer ‘voor welk publiek’, maar ‘met welk doel’. De meeste betrokkenen stellen tegenwoordig dat toegepaste geschiedenis weliswaar een onderdeel vormt van publieksgeschiedenis, maar zich tegelijk daarvan onderscheidt door een focus op actuele vraagstukken.

De nieuwe lichting applied historians breekt effectief een lans voor het betrekken van historische kennis en expertise – kortweg de historische blik – bij het aanpakken van hedendaagse kwesties. ‘Het probleem’ staat daarbij centraal, al kan dat evenzeer gaan om de globale ‘wicked problems’ uit het Nederlandse manifest of om de soms zeer lokale dillema’s die Corvus behandelt. En hoewel niet iedereen zich comfortabel voelt bij het idee dat historici problemen ook echt kunnen ‘oplossen’, is er minstens consensus dat historische inzichten erg waardevol kunnen zijn als kader bij complexe situaties en moeilijke beslissingen.

Dat betekent op zijn beurt dat de vraag uit het gastcollege het beste beantwoord wordt met de nuance die historici sowieso graag aan de dag leggen: ja, in sommige contexten is publieksgeschiedenis hetzelfde als toegepaste geschiedenis; en nee, dat geldt niet langer voor de vele initiatieven die sinds 2017 wereldwijd zijn opgedoken.

Bram de Ridder

Bram De Ridder is als postdoctoraal onderzoeker toegepaste geschiedenis verbonden aan het project Corvus van de KU Leuven. Hij was eerder visiting scholar aan Harvard University en assistent-coördinator bij het Horizon 2020-project RETOPEA