Werken internationale mega-congressen wel?

Historici bezoeken graag grote internationale congressen. Maar zijn die inhoudelijk wel zo interessant? Klaas Stutje breekt een lans voor kleinschalige workshops met meer diepgang, ‘zonder academische jetset en narcistische wetenschapsmastodonten.’

Het is vaak een studie op zich, het programmaboekje van grote internationale congressen. Zeker in de Verenigde Staten zijn congressen met tien of meer parallelle sessies van vier sprekers geen uitzondering. Grote congrescentra worden afgehuurd, aangekleed met filmvertoningen, boekenmarkten en prijsuitreikingen. Star academics worden ingevlogen om de honderden aanwezigen aan het begin en het eind van het congres toe te spreken, en tussendoor is het een chaotisch kluwen van panels, workshops en round tables.

Ter illustratie, “Harrogate International Centre”,
Ben Shepherd (CC BY-NC-SA 2.0).

Je moet er van houden. Voorstanders wijzen op het bindende belang van deze reizende circussen. Wetenschappers uit de hele wereld komen er samen om nieuwe wegen en terreinen van onderzoek te verkennen en inzichten te delen. In de wandelgangen worden contacten gelegd en plannen gemaakt voor nieuwe publicaties en vervolgbijeenkomsten. Dat deze congressen meestal op toplocaties in mooie verre steden gehouden worden is natuurlijk een mooie bijkomstigheid.

Ikzelf hou altijd een dubbel gevoel aan dergelijke congressen over. Gezellig is het zeker om met collega’s een aantal dagen van huis te zijn, en ik kan ook niet ontkennen dat het de ego streelt om onderdeel te zijn van de internationale wetenschappelijke jetset. Maar of het van direct wetenschappelijk belang is betwijfel ik. De inhoudelijke samenhang van de panels is soms ver te zoeken. Het aantal nieuwe contacten blijft meestal beperkt tot enkele visitekaartjes. Het praatje van twintig minuten is net te kort om echt de diepte in te gaan, en de Q&A is doorgaans ongemakkelijk en levert weinig nieuwe inzichten op. Dikwijls bekruipt me de gedachte dat het congres weinig meer is dan een collectieve opwaardering van cv’s, ten koste van heel veel geld en vliegkilometers.

Waarom kijken we niet kritischer naar de inrichting van deze congressen? Is dit de meest effectieve manier om inhoudelijke contacten te leggen? En als we er al heengaan, waarom doorbreekt niemand de bewezen ineffectieve manier van presenteren aan de hand van voorgelezen papers?

In het algemeen hecht ik meer waarde aan kleine workshops waar niet meer dan twintig sprekers rond een specifiek thema samenkomen. Hier neemt iedereen deel aan dezelfde sessies en is de gelegenheid is om over meerdere sessies verspreid thema’s te bespreken en vragen uit te diepen. Doordat het een kleinere groep betreft is er meer ruimte om iedereen aan het woord te laten, en neemt het relatieve gewicht van narcistische wetenschapsmastodonten af.

Bijkomend voordeel is dat die kleinere workshops niet zo belachelijk duur zijn. Bij grote conferenties zijn de inschrijfgelden niet zelden honderden dollars. Ze zijn daardoor minder internationaal dan hun naam doet vermoeden, en vaak alleen toegankelijk voor historici van Amerikaanse, Japanse of Europese instituten. Kleine congressen, die meestal niet op dure locaties in oude binnensteden georganiseerd worden, zijn goedkoper en er kunnen gemakkelijker betalingsregelingen worden getroffen met de organisatie.

In het kader van de toegankelijkheid en effectiviteit moeten we kritischer naar mega-congressen kijken, met speciale aandacht voor vormen van uitsluiting en vervreemding die het gevolg zijn van de financiering en interne organisatie van dergelijke evenementen.

Klaas Stutje is Post-Doc aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en werkt aan een onderzoek naar dwangarbeid in Nederlands-Indië tussen 1800 en 1950.