Wetenschappers hebben een Fair Practice Code nodig

Geesteswetenschappers presenteren hun werk op veel manieren aan een groter publiek, zoals de universiteit van ze verwacht. Maar de honorering daarvan – in tijd of geld – is vrijwel niet geregeld. Daardoor is het meestal gratis extra werk. Een belangrijke stap naar verheldering en professionalisering van ‘outreach’-werk is een fair practice code.

Een klein jaar geleden organiseerde ik een informele bijeenkomst met zo’n 15 collega’s van 9 verschillende universiteiten onder de titel ‘Impact tegen betaling’, een thema dat sterk leeft, maar waar – zo bleek – maar weinig over gesproken wordt aan de universiteiten zelf. Geld of werktijd vragen voor het communiceren over onderzoek met bredere publieken lijkt een taboe-onderwerp te zijn. Het zou goed zijn dat te veranderen, want er zijn veel vragen over en er is behoefte aan open gesprekken hierover en betere, meer collectieve antwoorden.

Eén van de dingen die er van wetenschappers verwacht worden is dat ze hun processen en resultaten zichtbaar maken voor en delen met een groot publiek. Daar zijn veel termen voor, de meeste lelijk – kennisbenutting, valorisatie, impact, outreach, maatschappelijke vertaling. Het beleid dat het maatschappelijk ‘bruikbaar’ maken van kennis één van de kerntaken van universiteiten maakte, dateert van begin deze eeuw. Het woord ‘valorisatie’ duikt voor het eerst op in Nederlands overheidsbeleid in het Wetenschapsbudget 2004. De term komt uit de financiële wereld en verwijst naar het overdraagbaar en commercialiseerbaar maken van onderzoeksresultaten. De achterliggende overtuiging was dat de ‘producten’ van universiteiten onvoldoende te gelde gemaakt werden. ‘Valorisatie’ in de oorspronkelijke, economische zin behelst de bijdrage van universiteiten aan economische bedrijvigheid door octrooi- en technologieoverdracht – het botste neoliberale antwoord op de vraag wat we hebben aan wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappelijk onderzoek produceert soms dingen waar geld mee te verdienen valt.

In 2006 vroeg de Tweede Kamer de Adviesraad Wetenschap en Technologie om een rapport over de vraag hoe onderzoek uit de sociale en geesteswetenschappen maatschappelijk bruikbaar gemaakt zou kunnen worden. In dit rapport, met de tamelijk vreselijke titel “Alfa en Gamma stralen”, wordt valorisatie veel breder opgevat dan puur als het economisch of technologisch inzetten van onderzoeksresultaten en wetenschappelijke kennis. Aanbevelingen uit het rapport hebben ook vandaag nog veel invloed (“Benoem valorisatie als derde hoofdtaak van de universiteiten”; “De tweede geldstroom [NWO] moet valorisatie beter en breder ondersteunen”). Dat iedere NWO-aanvraag een kennisbenuttingsparagraaf omvat en dat dit een standaard beoordelingscriterium is, komt onder andere voort uit deze ontwikkeling in wetenschapsbeleid.

Je kunt er voor of tegen zijn, maar inmiddels kunnen we stellen dat valorisatiebeleid stevig postgevat heeft. De belastingbetaler heeft recht om te weten wat er ontdekt wordt van publiek geld. Outreach is een stelpost en geen sluitpost. Althans, in NWO-aanvragen en functioneringsgesprekken. In urenberekeningen is het beeld volkomen anders. Het moet, is één van de taken van wetenschappelijk personeel zoals omschreven in de cao, maar ik ken niemand die daadwerkelijk uren krijgt om lezingen te geven, Over de muur-stukken te schrijven, zaken te duiden op radio of televisie, of journalisten te woord te staan. Dat is raar, en eerlijk gezegd, onprofessioneel. Die uren zouden er wel moeten komen, vanuit de universiteit (medewerkers met een NWO-project hebben die uren als het goed is zelf ingecalculeerd, maar gezien de honoreringspercentages is dat maar een kleine minderheid). En daarnaast zou de vragende partij in veel gevallen de individuele wetenschapper (of, afhankelijk van de situatie, diens instituut) moeten betalen voor de expertise.

Want wat ook raar en onprofessioneel is, is dat de mensen die een beroep doen op wetenschappers (organisatoren van allerlei evenementen nascholingsbureaus voor leraren, redacties), ervan uitgaan dat dit soort expertise gratis beschikbaar is. Natuurlijk, onderzoek wordt betaald uit publieke middelen, en voor de armlastige studievereniging doen we het, als we tijd hebben (krijgen), voor niets, maar dat wil niet zeggen dat een bureau dat zelf geld vraagt voor zijn dure cursussen zomaar gratis aanspraak moet kunnen maken op onze expertise en dienstverlening. De voorbereiding van zoiets kost veel tijd (uren die dus niet door de universiteit ingecalculeerd zijn) en bovendien is het een heel verkeerd signaal dat de inhoud – zéker de leuke, hippe, fascinerende alfa-gamma inhoud waar wij mee stralen – gratis zou zijn. Zoals Ionica Smeets ooit schreef: voor de statafels en de borrelhapjes wordt gewoon een commercieel tarief gebudgetteerd, dus waarom niet voor de presentatie zelf?

Eén van de redenen dat geesteswetenschappers vaak toch voor een fles wijn een lezing voorbereiden en geven, ook als het publiek toegang betaalt, is dat ze nauwelijks infrastructuur of richtlijnen hebben om betaald te opereren buiten de universiteit. We weten niet hoe we om geld moeten vragen, durven het niet, hebben geen idee wat een redelijk bedrag zou zijn, weten niet hoe we het uitgekeerd kunnen krijgen, wat de mogelijke ethische implicaties zouden zijn voor ons onderzoek en onze wetenschappelijke vrijheid, hoe we ons instituut een rekening kunnen laten sturen, noch wanneer en hoe we dat zelf zouden kunnen doen. Uiteindelijk is het dan het makkelijkst om het voor niets te doen. Het televisieprogramma, opinietijdschrift, of de evenement-organisatie is allang blij en begint zelf ook niet over geld.

Dit probleem is al veel langer bekend in de kunstensector. Fotografen, ontwerpers en musici – die bijna altijd als zelfstandige werken – kunnen sinds mensenheugenis rekenen op uitnodigingen van (vage) kennissen om hun werk voor weinig of niets te komen doen op bruiloften. Ze worden uitgenodigd door commerciële ‘creatieve’ partijen om werk in te zenden voor prijsvragen waarbij de prijs “exposure” is (en de uitschrijver van de prijsvraag het copyright op alle inzendingen behoudt). Van exposure kun je niet eten, maar zeker jongere artiesten zijn of voelen zich gedwongen dit soort gratis werk toch aan te nemen. Om zulke misstanden beter aan te kunnen pakken heeft de belangenorganisatie voor de creatieve sector Kunsten ’92 in 2015, in samenwerking met de Akademie der Kunsten, een Fair Practice Code ontwikkeld. Daarin staan teksten zoals “Tegenover werk staat een eerlijke vergoeding” en om dat te verduidelijken:

Hierbij worden cao’s en honorariumrichtlijnen zoveel mogelijk aangehouden. Betaling van (freelance) medewerkers geschiedt indien er geen cao is, redelijk en eerlijk. Afspraken over honoraria en vergoedingen kunnen in elke discipline worden ontwikkeld, voor zover nog niet aanwezig. Men maakt ook gezamenlijk afspraken over eerlijke auteursrechtvergoedingen voor exploitatie-overeenkomsten, op grond van Artikel 25c van de Auteurswet.

Het is misschien niet erg concreet, maar is wel een uitnodiging aan verschillende disciplines om concreter te worden over vergoeding en ook om zaken meer collectief te regelen, zodat individuele kunstenaars meer informatie hebben en sterker staan. Kan de wetenschap ook zoiets krijgen? Een basis van goede richtlijnen voor antwoorden op vragen zoals:

  • Voor welke activiteiten is het redelijk een honorarium aan de opdrachtgever vragen?
  • Hoe kom je tot een redelijk bedrag en goede afspraken over wat daar tegenover staat?
  • Hoe en in welke gevallen moet/kan de universiteit een medewerker ruimte geven om aan outreach-activiteiten te werken?
  • Hoe regelen medewerker en universiteit de facturering en betaling? Aan wie wordt er uitbetaald in welk geval, en wat gebeurt er met dat geld?

Universiteiten hebben al wel enig beleid voor welke werkzaamheden als ‘nevenactiviteiten’ moeten worden opgegeven, maar hier zijn vooral veel concrete richtlijnen en casuïstiek over in bijvoorbeeld de geneeskunde. Voor historici is de zaak veel minder duidelijk. Een bijdrage aan een radioprogramma? Een wekelijkse column in een krant? De vraag aan wie de betaling toekomt (hoeveel het zou moeten zijn, wie het zou moeten betalen), en de vraag hoe een geesteswetenschapper haar universiteit representeert heeft veel praktische, logistieke, strategische en ethische haken en ogen waar een fair practice code helderheid in zou kunnen scheppen. Ik roep de KNAW op om het voortouw te nemen in het ontwikkelen daarvan. Het is een belangrijke stap naar professioneler valorisatiebeleid waar we na bijna 20 jaar hard aan toe zijn.

Sara Polak (copyright Hedske Vochteloo)

Sara Polak is universitair docent American Studies bij Leiden University Centre for the Arts in Society, met een focus op memory studies en herinneringspraktijken. Ze is auteur van FDR in American Memory – Roosevelt and the Making of an Icon (JHUP, 2021).