Wetenschapscommunicatie is een vak, geen hobby

Er komt meer geld voor wetenschapscommunicatie. Dat is mooi maar zal niet leiden tot het gewenste resultaat, betoogt Klaas Stutje. Want ondanks de goede bedoelingen is een tekort aan geld maar een deel van het probleem. De meeste valorisatie-projecten zijn slecht ingebed en hebben daardoor weinig blijvende waarde.    

Eind januari presenteerde minister Ingrid van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar plannen en ambities op het gebied van wetenschap. Eén van de speerpunten wordt ‘wetenschapscommunicatie’: ze heeft NWO gevraagd een pilot te starten om wetenschappers die de dialoog met de samenleving aangaan te belonen met een bedrag van in totaal één miljoen euro. 

Ionica Smeets hoopte in de Volkskrant dat dit geld terecht zou komen bij al die kleinschalige projecten die wetenschappers op eigen houtje vast begonnen zijn, zoals ‘historici die ’s avonds online in debat gaan over hun vakgebied’. Al denken we dat avondwerk niet ‘beloond’ zou moeten worden; wij van Over de Muur zijn natuurlijk niet te beroerd om dat geld in ontvangst te nemen.  

Toch mag dat ene miljoen ons niet afleiden van het werkelijke probleem: de structurele ondoelmatigheid waarmee er nu al geld wordt uitgegeven aan kennisbenutting bínnen onderzoeksprojecten van de geesteswetenschappen. Sinds enkele jaren vraagt NWO om in elke beursaanvraag een ‘valorisatieparagraaf’ op te nemen. Daarin moet omschreven worden welke stappen de aanvrager wil ondernemen om zijn of haar kennis te delen met de maatschappij.  

De voorkeur gaat daarbij uit naar diepgaande ‘publiek-private samenwerkingen’ waarvan NWO op de website een aantal klinkende voorbeelden aandraagt: historici die samenwerken met de game industrie, culturele wetenschappers die festivals organiseren en filosofen die met artsen meedenken over de relatie met patiënten. 

Deze mooie voorbeelden steken helaas glanzend af tegen het gros van de valorisatieprojecten. NWO – altijd scherp op helderheid en precisie – benadrukt in een handreiking aan wetenschappers: ‘De mate waarin de kennisbenutting succesvol is, hangt in grote mate af van de implementatie ervan’. Die is doorgaans mager. In de praktijk wordt de valorisatie-paragraaf namelijk geparkeerd in de taakomschrijving van één van de deelprojecten van een grote beurs. Promovendi en postdocs worden geconfronteerd met de schetsmatige valorisatie-ideeën van een projectleider: een website, lesmateriaal, een tekstboek, publieksbijeenkomsten. Ze zijn echter geselecteerd op hun wetenschapsinhoudelijke kennis, niet op hun netwerk en ervaringen met uitgeverijen, middelbare scholen of musea. 

Synode te Dordrecht

De eerste jaren van een aanstelling staan in het teken van het opstarten van onderzoek. Tegen de tijd dat iemand de ruimte heeft om na te denken over de kennisbenutting is het te laat om werkelijke publiek-private samenwerkingen aan te gaan. Bovendien is er meestal niet nagedacht over het onderhoud van websites en onderwijsmateriaal ná het einde van het project. Het gevolg is een veelheid aan verweesde websites en eenmalige evenementen. Ze geven de wetenschapper een goed gevoel maar hebben weinig blijvende maatschappelijke impact.  

Het miljoen van Van Engelshoven lijkt de verantwoordelijkheid te leggen bij de individuele wetenschapper die met verplichte valorisatieparagrafen en stimulerende ‘beloningen’ uit de ‘ivoren toren’ moet worden gelokt. Wat echter ontbreekt is niet de ambitie of creativiteit van onderzoekers, maar de infrastructuur om met maatschappelijke partners in contact te komen en te blijven, vergelijkbaar met bijvoorbeeld itsacademy.nl op het gebied van bèta-onderwijs op middelbare scholen. Van Engelshoven, en instanties als NWO, KNAW en universiteiten doen er beter aan de individuele onderzoekers en onderzoeksgroepen met kennis en kunde te ondersteunen. 

Waarom niet op nationaal niveau een aantal journalisten, onderwijskundigen, museumexperts en websitebouwers in dienst nemen? Mensen die het netwerk en praktische vaardigheden hebben om een groter publiek te bereiken. Zij zouden als steunpunt voor wetenschappers kunnen functioneren, zelf wetenschappers kunnen benaderen, en – belangrijker nog – de continuïteit kunnen waarborgen die nu in het geweld van tijdelijke contracten verloren gaat. Dat kost geld, maar dan heb je ook echt iets: wetenschappers die doen waar ze goed in zijn én een grotere maatschappelijke impact. 

Klaas Stutje is Post-Doc aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en werkt aan een onderzoek naar dwangarbeid in Nederlands-Indië tussen 1800 en 1950. Onlangs gepresenteerde hij hier lesmateriaal over. Daarnaast is hij docent aan de Universiteit van Amsterdam.