Afgrond zonder vangnet

‘Als ze het maar geen ‘post Shoah’ roman noemen’, schreef de auteur over zijn debuut, Blauwe maandagen: ”Post-Shoah roman’, dan hoef je toch al niet meer’.  Desondanks werkt Yra van Dijk aan een studie over het oeuvre van Grunberg in het licht van de 20ste eeuwse geschiedenis.

Arnon Grunberg wil onder geen beding een ‘tweede generatie’ auteur zijn. Hij verzette zich toen hij 22 was, fel tegen het idee dat hij met zijn debuut Blauwe Maandagen  een ‘Post-Shoah’ roman zou hebben geschreven. (Wat hij wel een aanprijzing vond was: ‘Shoah & sex in één roman’).

Toch schrijf ik een boek over de Shoah in het oeuvre van Grunberg. In Afgrond zonder vangnet analyseer ik al Grunbergs romans in het licht van de geschiedenis van de jodenvernietiging. Juist literatuur, zo zal ik betogen, laat zien hoe persoonlijke en culturele herinnering werkt. Romans als die van Grunberg verbeelden de ruimte die ons scheidt van wat er echt gebeurd is, en de fantasieën, clichés en iconen die in die ruimte ontstaan.

Arnon Grunberg, foto: Heike Huslage-Koch (Wikimedia Commons, CC-BY-SA)

Waarom toch deze ‘post-Shoah’ analyse? Wat maakt dat ik zo eigenwijs ben te doen wat de auteur zo radicaal afwijst? Om eerlijk te zijn: dat was nooit de bedoeling. Afgrond zonder vangnet moest de ontwikkeling van een schrijverschap schetsen. En dat doet het ook. Alleen bleek Grunbergs oeuvre boek na boek, tekst na tekst, te verwijzen naar fascisme, naar geweld, naar het lijden van de overlevenden en hun kinderen.

Vooral de geschiedenis van Grunbergs moeder, die als tiener verschillende kampen overleefde, heeft sporen achtergelaten in het werk van de zoon, en heeft de inzet daarvan bepaald.

Zo bleek maar weer dat de auteur niet het laatste woord heeft over zijn werk. Als je de romans van Grunberg goed leest, staan ze vol beelden uit de concentratiekampen. Die komen terug in de meest uiteenlopende literaire vormen: als parodie, symbool, heropvoering, trauma, ironie en citaat.

Bovendien lijden zijn personages onder het ‘halfdood’ zijn van hun ouders, hoewel ze daar wanhopig trachten afstand van te nemen.  (‘Ik heb me losgekoppeld’ zegt Oberstein uit Huid en Haar, ‘van de rest van de trein’). Waar recensenten wel hebben gezegd dat de hoofdpersonen in Grunbergs werk ‘steriel’ zijn, wil ik laten zien dat ze eerder versteend zijn. Hun harnas van onkwetsbaarheid houdt echter geen stand, wat meestal uitloopt op een tragedie voor henzelf en voor hun geliefden.

Die structuur van de verhalen bleek vaak vergelijkbaar: de hoofdpersonen voelen verantwoordelijkheid voor een vrouw die op een of andere manier ‘ziek’ is. Ze houden eerder te veel dan te weinig van deze vrouwen (moeders, dochters, zussen), maar hun zorg biedt nooit genezing, en dat loopt uit op agressie en destructie. Het feit dat ditzelfde verhaal steeds verteld wordt, heb ik hier al eens beschreven als een representatie van trauma.

Het schrijven daarover als literatuurwetenschapper is ingewikkeld: voor je het weet leg je de auteur op de divan, en niet zijn personages. Dat is nog extra riskant, en ook extra verleidelijk, omdat Grunberg zelf niets anders doet dan het opheffen van de grenzen tussen feit en fictie.  Het fabuleren beperkt zich bij hem niet per se tot een genre als de roman. Zijn werk is gebaseerd op zijn leven, maar hij leeft ook om erover te schrijven. Met opzet houdt Grunberg in het midden waar het een begint en het ander ophoudt.

Authentiek is er niets, en heilig al helemaal niet. Zijn personages leiden valse en ‘tweedehands’ levens. Het morele dilemma van schrijven over het lijden van de ander en met die teksten dan geld verdienen, wordt verbeeld als een vorm van prostitutie. Arnon is aan het einde van Blauwe maandagen dan ook een hoer geworden, gehuld in het kostuum van zijn vader.

Die identificatie met de ouders is nog zo’n klassieker uit de Holocaust-literatuur die Grunberg graag parodieert. Zijn verhalen ontmaskeren de al te makkelijke identificatie, ook die van de lezer. De ethische vraag hoe je je dan wel tot die ander kan verhouden, is de laatste jaren steeds belangrijker geworden in dit werk, waarbij de ander ook een Afrikaan of een moslim kan zijn. De rebellie van de jonge auteur heeft plaatsgemaakt voor de geëngageerde publieke intellectueel.

Tegenwoordig laat hij ook een ander geluid horen over de relatie tussen zijn werk en de Shoah: ‘Mijn oeuvre is een voetnoot bij dit boek en bij mijn moeders leven’, schreef Grunberg in het nawoord bij zijn moeders memoires Zolang er nog tranen zijn (2015). Om te vervolgen: ‘Daarmee zeg ik niet dat mijn oeuvre exclusief over de oorlog zou gaan – tegen die lezing zal ik me altijd blijven verzetten – hooguit dat er gaten zijn in herinneringen, in het geheugen, in het verhaal van mijn moeder en mijn vader, die opgevuld moeten worden. Juist ook met fictie’.  Afgrond zonder vangnet beschrijft hoe dat in zijn werk gaat, gaten in de herinnering vullen met literatuur.

Yra van Dijk is hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde in mondiaal perspectief. Haar studie naar het oeuvre van Arnon Grunberg, Afgrond zonder vangnet,  eind 2017 bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar.