Brandmerken betekende onderwerping, controle en straf

Recent beweerde emeritus Piet Emmer dat gebrandmerkte slaafgemaakten trots waren op dit teken. Een uitzonderlijke conclusie die moet worden onderbouwd met uitzonderlijk stevige bewijzen. Karwan Fatah Black toont dat die er niet zijn, en laat zien wat de bronnen wél vertellen.

In het tv-programma Propaganda van 16 september 2021 botsten de emeriti Piet Emmer en Alex van Stipriaan over de vraag hoe men in de slaventijd aankeek tegen brandmerken. Emmer stelde dat de gebrandmerkte mensen in de slaventijd trots waren op dit teken. Zij zouden door het brandmerk tastbaar bewijs hebben dat zij bij een nieuwe gemeenschap hoorden. Emmer stelde bovendien dat het brandmerken een feestelijke aangelegenheid was waarbij drank en kleding werd uitgedeeld.[1] Van Stipriaan zei in de uitzending nooit een dergelijke interpretatie van het brandmerk te zijn tegen gekomen in de primaire bronnen, en deed de stellingname als absurd van de hand. Ik heb dit onderzocht en mijn conclusie is dat er wel een aanwijzing is die Emmers interpretatie ondersteunt, maar dat die aanwijzing in de historische context en in het licht van het overige bronnenmateriaal niet voldoende is om zijn tegendraadse lezing voor waar aan te kunnen nemen.

Brandmerken in historische bronnen

In onze huidige cultuur staat brandmerken voor iets negatiefs. Het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal beschrijft een brandmerk in figuurlijke zin als ‘onuitwisbare schandvlek door misdaad op zich geladen of door smaad van anderen aangevreven’. Dat was in de vroegmoderne tijd niet anders: “Ach! ick ellendighe, ick draach … ’t Brant-teken op mijn hooft van mijn verlaten trou” schreef Bredero. Maar laten we ervan uitgaan dat Emmer van goede wil is en de mogelijkheid onderzoeken of dat in de kolonie Suriname ook enkel die negatieve betekenis had. Gezien het uitzonderlijk hoge percentage mensen in slavernij in die kolonie (95 %) was een groot deel van de mensen gebrandmerkt.

Als historici verzamelen we sporen die zijn nagelaten en proberen, zonder vooringenomenheid, dit materiaal te bekijken en te analyseren. In dit artikel analyseer ik gedrukte boeken uit de tijd van de slavernij. Ik heb ook handgeschreven materiaal gevonden dat is nagelaten door het koloniale bestuur en de kolonisten, maar de analyse daarvan vraagt meer tijd. Het gebruik van uitsluitend gedrukt materiaal in dit artikel geeft beperkingen, maar desondanks vertrouw ik op de representativiteit van het geraadpleegde corpus. Ook al is het niet compleet, het is in ieder geval veel meer dan waar Emmer naar verwijst in zijn tv-optreden, blog en boek en concreter dan de algemene opmerking hierover door Alex van Stipriaan.

Slavenstempel, waarmee slaven gebrandmerkt werden met de initialen van hun meester. Slavernijcollectie Tropenmuseum (public domain. via Wikimedia Commons)

Als we een gevangene vanuit Afrika naar de koloniën volgen zien we dat het aanbrengen van merktekens meermaals voorkomt. Europese kolonisten beschuldigen Afrikaanse slavenhandelaren er van dat zij merktekens op de lichamen van de gevangenen aanbrachten om ze voor te doen als leden van een volk dat een goede reputatie had bij de Europeanen (Hartsinck, 1770, 918). Tijdgenoot Philipe Fermin weerspreekt dat handelaren in staat zouden zijn de kenmerken van volkeren te wijzigen om zo een hogere prijs te bedingen (Fermin 105). In dit beperkte artikel onderzoek ik dit niet verder, maar het is goed mogelijk dat slavenhandelaren op deze manier kunstmatig aan de vraag van tussenhandelaren of Europeanen probeerden te voldoen.

Hoe maakten de mensen die tot slaven werden gemaakt kennis met het fenomeen brandmerken? Hartsinck beschrijft het brandmerken in het Nederlandse fort op de Goudkust ‘De leverbaare Slaaven worden met een gloeijend Yzer op den Arm met het Merk van den Kooper getekend, omze te onderscheiden uit de gebrekelyken, die men gewoonlyk voor Rum aan de Nieuw Engelandvaarders verkoopt’ (Harsinck, 1770, 901). Het merkteken was niet alleen een teken van eigendom, maar ook van goedkeuring. Wie goed genoeg was om naar een Nederlandse kolonie te worden vervoerd kreeg het merkteken op de arm gebrand. Willem Bosman gaf eerder die eeuw een soortgelijke beschrijving, maar benadrukte vooral dat het brandmerk diende om het verschil tussen de door de Nederlanders, Fransen en Engelsen gekochtte slaven te handhaven. Hij schrijft dat het merken ‘geschied, op dat wy deselve uit de slaven  der Engelschen, Franschen … souden konnen onderkennen (Bosman 1703, 150).

Eenmaal in de kolonie lijkt het brandmerken te gebeuren zonder de ceremonie of feestelijke omlijsting die Emmer suggereert ‘Aan onze Volkplantingen gekomen zynde, worden zy op nieuws door een Chirurgyn onderzocht, die alle hunne Ledemaaten zorgvuldiglyk bezichtigd; vervolgens worden ze in ’t openbaar aan den meestbiedende verkocht, en door de Koopers met hun Merk het zy op de Armen of op de Borst gebrandtekend’ (Hartsinck, 1770, 902). De oorsprong van deze beschrijving van Hartsinck is mogelijk het oudere werk van Herlein uit 1718. In de landsbeschrijving van J.D. Herlein valt te lezen ‘Verkogt zijnde, zo word de naam van de Meester, haar in twee en drie Merk-letteren, op de Borst gebrand, na dat de plaats al vorens met een wienig Boom-Olie bestreken is, zijnde het zelve van zilver of koper daar toe gemaakt, geschiede dat t’elke malen als zy een andere Meester bekomen werdende de vorige namen, als te veel zijnde, uitgeswore.’ (Herlein, 1718, 91-93). Dit proces van ‘uitzweren,’ wat waarschijnlijk verwijst naar het verwijderen van oudere brandmerken, komt bij andere auteurs niet terug.

Over het algemeen vinden we maar weinig opmerkingen over brandmerken in de gedrukte bronnen. Zo treffen we in de landsbeschrijving van Pistorius geen opmerkingen over brandmerken aan. De plantage-eigenaar Fermin is in zijn beschrijving minder stellig over de snelheid waarmee het merkteken wordt gezet, hij stelt dat men daarmee wacht, omdat de slaven niet meer geruild kunnen worden als ze eenmaal zijn gemerkt (Fermin 106). Fermin beschrijft het brandmerken als volgt ‘Men laat een zilveren plaat maaken, daar men de twee eerste hoofdletters van den doopnaam en van den toenaam des meesters op laat soldeeren: aan de plaat maakt men een houten steel, om dien in de hand te kunnen houden; de plaat wordt, als dan, heet doch niet gloeiende gemaakt, waar na men dezelven op het vel drukt, welk het teken behoudt, en van te vooren met olyfolie gewreeven wordt. Zommigen tekenen hunne slaaven op de armen, anderen op de borsten. Zonder deze voorzorge, was niemand in staat, om zyne eigene slaaven te kunnen onderscheiden’ (Fermin 106-107). Geen van de auteurs noemen enige rituele omlijsting bij het zetten van het merkteken.

Anthony Blom

Waar komt dat verhaal van Emmer over die vrolijke brandmerk-feesten op de plantage dan vandaan? In een toelichting op het weblog Wynia’s Week noemt hij de plantage-handleiding van Anthony Blom uit 1787 als zijn bron, maar geeft niet aan waar hij precies op doelt. In dat boek staat over het brandmerken weinig bijzonders, ook Blom beschrijft een zilveren merk en het gebruik van vet dat eerst op de huid wordt gesmeerd. Daarna strooit men as in de wond, waarschijnlijk om deze te ontsmetten. Blom is zich er echter, meer dan de andere auteurs, van bewust dat er bezwaren zijn tegen de praktijk. Hij doet dan ook zijn best om de lezers gerust te stellen: ‘veelligt zal de leezer die in de Colonie nooit is geweest, dat merken voor zeer barbaarsch aanzien; nogthans wordt dit by de negers in tegendeel met genoegen toegelaaten, vermits zy zig dan verzekerd houden dat zy eenen vasten meester hebben, en dat zy niet, zo als hun te vooren is overgekomen, van den eenen aan den anderen verkocht zullen worden’ (Blom 377-378).

Wat staat hier, en waarom? Blom is tot zover de enige auteur die zich iets lijkt aan te trekken van de mening van mensen buiten de kolonie. Hij verantwoordt zich tegenover de kritische stemmen die inmiddels opgaan in Europa. Blom beschrijft niet alleen een geldende praktijk, maar is deze dus ook bewust aan het verdedigen. Andere schrijvers, van Van Berkel in de zeventiende eeuw tot Teenstra in de negentiende eeuw, doen geen moeite om te verhullen welk geweld en ontmenselijking er kwam kijken bij het proces van mensen tot slaven maken. Blom lijkt dat wel te hebben en draagt een verzachtende omstandigheid aan. Maar hoe betrouwbaar is die? Hij zegt dat de slaven het brandmerken ‘met genoegen toelaten’ omdat dit zou betekenen dat ze niet verder doorverkocht zouden worden. Dit snijdt echter geen hout. Het is immers niet de eerste keer dat ze gemerkt worden. Ook in het fort in Afrika is dat al gebeurd. Dit merk betekende overduidelijk niet dat ze niet meer zouden worden doorverkocht. Hooguit dat ze geselecteerd werden om op een Nederlands schip mee te gaan.

Emmer stelt dat er nog een tweede bron is voor zijn verhaal, een proefschrift van een promovendus waarvan hij de naam niet meer weet. Emmer stelt dat er in het proefschrift staat dat er van het brandmerken een feestelijke aangelegenheid werd gemaakt. Het is goed mogelijk dat opzichters poogden om het brandmerken van kinderen (het merk werd rond het twaalfde levensjaar gezet) die op de plantage werden geboren een feestelijk karakter te geven. Het zou kunnen dat de eigenaar in dat specifieke geval probeerde om de plantage-gemeenschap om te vormen naar het beeld dat hij had van leefgemeenschappen in Afrika, met hemzelf als chief. Het merken, dat nu eenmaal bij wet geregeld was, probeerde hij op deze manier wellicht zo soepel mogelijk te laten verlopen. Dat is wel heel iets anders dan stellen dat men blij was met het merkteken. Zolang Emmer niet zegt om welk proefschrift het gaat kunnen we dit moeilijk voor waar aannemen. Voor een uitzonderlijke conclusie hebben we immers ook uitzonderlijk stevig bewijs nodig.

Plakkaat uitgevaardigd in Suriname om slaveneigenaren te dwingen hun slaven te brandmerken, 28 augustus 1780. NL-HaNA, Sociëteit van Suriname, toegang 1.05.03, inv.nr. 192 scan 110

Doel en betekenis

Het doel van het brandmerk is duidelijk. Het merkteken dient om eigendom vast te stellen. De advertenties in Surinaamse kranten waarmee wordt verzocht om gevluchte slaven terug te brengen beschrijven dan ook vaak het brandmerk. Het brandmerken lijkt als wettelijke verplichting zonder veel omhaal te zijn gedaan. Slaven werden vanaf hun twaalfde geadministreerd met naam en merkteken (Hartsinck 1770, 893). Deze administratie diende ook voor het ophalen van belasting die goeddeels werd besteed aan de verdediging van de kolonie tegen opstanden.

Het brandmerk had daarnaast een raciale dimensie: de slaven die onder de inheemse bevolking werden gemaakt mochten niet gebrandmerkt worden. Het brandmerken was uitdrukkelijk voor de slaven van Afrikaanse komaf. De eigenaar zette, voor zover wij weten, het merkteken niet op zijn eigen arm of borst. De kinderen die de eigenaar bij een vrije vrouw verwekte, kregen geen brandmerk, de kinderen die de eigenaar verwekte bij een slaafgemaakte vrouw, wel.

Het brandmerk was echter niet alleen een teken van eigendom. Eenmaal in de kolonie diende het brandmerken van het gezicht als straf. Dit past overigens in een straftraditie die uit Europa was meegenomen. Het merkteken van de Sociëteit van Suriname werd op een of beide wangen van de veroordeelde gebrand, vaak alvorens te worden verbannen of te werk gesteld. Dit gebeurde allerminst alleen bij slaafgemaakten, ook blanken werden zo gestraft (Hartsinck 1770, 365, 510). Zelfs een plantagedirecteur kon in de negentiende eeuw nog met een geseling en brandmerk gestraft worden en verbannen (Teenstra 152-153). Slaafgemaakten werden ook in de negentiende eeuw nog gebrandmerkt als onderdeel van een straf. Dat gebeurde echter niet meer in het aangezicht, maar bijvoorbeeld op de schouder (Teenstra 193, 267 302).

Was het dan alleen een merkteken voor gestraften of om eigendom en slavenstatus mee uit te drukken? Het is me niet gelukt om bewijs te vinden voor het idee dat het brandmerk werd geïnterpreteerd als bewijs dat er voor slaven gezorgd zou worden. De directeur of eigenaar zette het merkteken op de suikervaten, koffiebalen, het vee en de mensen van de plantage met een ander doel. Het merkteken werd nadrukkelijk door de eigenaar of beheerder op iets of iemand gezet, maar er was een scherp onderscheid tussen degene die het merk zette en degene op wie het werd gezet. Het was een constante herinnering aan de macht en controle van de eigenaar. De betekenis van het brandmerk als symbool van een verzorgende leefgemeenschap valt moeilijk te rijmen met de andere betekenissen die het brandmerken in de kolonie had: straf, eigendom, slavernij. Kortom, de conclusie van Emmer is veel te stellig en eenzijdig en doet geen recht aan de historische bronnen en de historische context waarin ze werden geproduceerd.

De kern: Was slavernij symbiotisch of parasitair?

Aan deze kwestie ligt (naast een discussie over ethiek in wetenschapscommunicatie) een andere ten grondslag, namelijk of we slavernij zien als een symbiotische relatie tussen meester en slaaf waarbij de stabiliteit in het systeem tot stand komt door een proces van geven en nemen, of dat slavernij een inherent parasitaire relatie is tussen een slavendrijver die eenzijdig de slaafgemaakte uitbuit. De slaveneigenaren geloofden graag dat de relatie symbiotisch was: zij leverden iets (kennis, rechtvaardig bestuur, christendom, lichamelijke verzorging) en de slaven gaven in ruil daarvoor hun arbeidskracht. Emmer legt in de uitzending van Propaganda en in boeken, opiniestukken en blogs veel nadruk op het symbiotische karakter van slavernij. Dat doet hij door te verwijzen naar de slavernijpraktijk zoals die door de verdedigers van slavernij aan Europees publiek werd voorgespiegeld. Onder druk van de afschaffingsbeweging en de politieke debatten over een soepele transitie van slavernij naar post-slavernij werd de koloniale samenleving sterk gereguleerd en kwam er wetgeving omtrent het voeden en kleden van slaven. Eigenaren hadden er in deze tijd belang bij om zich te presenteren als grootmoedige patriarchen. Doordat er wetgeving kwam omtrent de omvang van de werktaken, eventuele vergoedingen en vastgestelde voedsel en kledingrantsoenen lijkt het bovendien alsof de eigenaar of opzichter iets doet voor de slaven, in ruil waarvoor hij over een deel van hun arbeidskracht kan beschikken.

Aan de andere kant staat de analyse van slavernij als een parasitaire relatie. En wie naar de feitelijke situatie in het overgrote deel van de Nederlandse slavernijgeschiedenis kijkt moet concluderen dat de relatie parasitair was. De slaafgemaakten werkten niet alleen voor de productie van exportgewassen, maar waren ook voor hun dagelijkse behoefte aangewezen op hun eigen werk. De aangevoerde producten als gedroogde vis uit Noord-Amerika waren slechts een extraatje. Onderwijl lag het sterftepercentage zo ongelofelijk hoog dat van enige symbiose geen sprake was. De plantages verzwolgen in het midden van de achttiende eeuw duizenden mensen per jaar. Slaafgemaakten werden niet verzorgd maar vermalen door het plantagesysteem.

De slaveneigenaren geloofden graag dat zij vaderlijk over hun slaven regeerden. In hun geschriften doen ze dit in ieder geval zo voorkomen. Terugblikkend zouden we dergelijke verhalen op waarde moeten kunnen schatten, en ze niet kritiekloos doorgeven aan het Nederlandse publiek. Het zijn de sprookjesverhalen van de uitbuiters en onderdrukkers. Brandmerken was gericht op onderwerping, controle en straf. Het was gevaarlijk, pijnlijk en onvrijwillig. De aanwijzingen in het archief wijzen zo nadrukkelijk maar het repressieve doel en karakter van het brandmerk in de levens van de slaven dat de interpretatie als een teken van gemeenschap onder leiding van een zorgzame eigenaar hoogst uitzonderlijk zal zijn geweest.

Historische Bronnen in chronologische volgorde

  • Bosman, Willem, Nauwkeurige beschryving van de Guinese Goud- Tand- en Slavekust, Nevens alle desselfs landen, koningryken en gemenebesten, Utrecht: Anthony Schouten, 1704.
  • Herlein, J. D. Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname: vertonende de opkomst dier zelver colonie, de aanbouw en bewerkinge der zuiker-plantagien. Neffens den aard der eigene natuurlijke inwoonders of Indianen; als ook de slaafsche Afrikaansche Mooren; deze beide natien haar levens-manieren, afgoden-dienst, regering, zeden. Leeuwarden: Meindert Injema, 1718.
  • Pistorius, Thomas. Korte en zakelijke beschrijvinge van de Colonie van Zuriname. Amsterdam: Theodorus Crajenschot, 1763.
  • Fermin, Philipe. Nieuwe algemeene beschryving van de colonie van Suriname. Harlingen, 1770.
  • Hartsinck, Jan Jacob. Beschryving van Guiana, of de Wildekust in Zuid-America. Vol. 1. 2 vols. Amsterdam: Gerrit Tielenburg, 1770.
  • Blom, Anthony. Verhandeling van den landbouw in de Colonie Suriname. Amsterdam, 1787.
  • Teenstra, Marten Douwes. De Negerslaven in de kolonie Suriname en de uitbreiding van het christendom onder de heidensche bevolking, door M.D. Teenstra. Dordrecht: H. Lagerweij, 1842.
Karwan Fatah-Black (foto: Babet-Hogervorst)

Karwan Fatah-Black is universitair docent Nederlandse koloniale geschiedenis. Zijn boek Slavernij en Beschaving verschijnt in november 2021 bij Ambo-Anthos

 

 

 

 

 

[1] ‘Propaganda’ KRO-NCRV, Donderdag 16 september, 21:00, NPO https://www.npostart.nl/piet-emmer/16-09-2021/POMS_KN_16638146 ; Piet Emmer, Blog ‘Activistisch gebruik slavernij schaadt geschiedwetenschap’, Wynia’s Week, 18 september 2021.