Burundi. In flarden.

Jonas Vernimmen is de kleinzoon van Belgische kolonialen in Burundi. Hij brengt onder woorden waarom de versnipperde herinneringen van zijn grootouders en vader aan hun tijd in Burundi ook bij hem gemengde gevoelens oproepen. 

Burundi. Opa en oma. Mogelijkheden. In Bujumbura. Zij volgde. Bang. Hij werkte in de “brousse”.[1] Vaak weken weg. Iets met plantages. Lange nachten. Alleen.

Burundi. Papa. Vijf woordjes Swahili. Verhalen over schoenen vol schorpioenen. Nijlpaarden bij het zwemmen. Spannend. Moambe op kerstavond. Out of Africa. Opgezette krokodillen. Cool! 

Burundi. Ik. De flarden van verhalen maken me warm en koud. Warm, want zo gaat dat met familie. Een ouderlijk huis vol wilde planten, Afrikaanse afbeeldingen en mysterieuze, dansende figuren herinnert aan vervlogen tijden. Opwindende tijden.  

Koud, omdat ik weet wat het gekost heeft. Voor oma, die alles hier achterliet. Die vier kinderen grootbracht in een vreemd land. Hen moest troosten tijdens de vuurgevechten. Die ontdekte dat haar moeder overleden was… drie weken eerder. Die nooit van een volmaakte oude dag zou kunnen genieten, want opa werd niet oud. 

IJskoud, sinds David van Reybrouck. Leopold en Boudewijn. “Beschaving” en nijverheid. Chicotte en machette. Uranium en Coltan. Hutu en Tutsi. Lumumba. Dat waren ze me vergeten vertellen op school. Ons vergeten vertellen.  

Nu is er Kinderen van de kolonie. De ontwrichting die is aangericht door de vraatzuchtige machine waar onze (groot)ouders een radertje in waren, eindelijk op de beeldbuis. Een blik op het geweld, de vernedering, de ongelijkheid tot op het bot. Woorden die me erg bekend in de oren klinken, doen me huiveren. Boy. Het N-woord, dat nog vaak over Vlaamse lippen rolt, is uit de aflevering gefilterd. De meest hardnekkige zinnetjes niet: “Ze hebben toch ook veel goeds gedaan?” en “ Ze hadden toch goede bedoelingen?”  

“Ze hadden toch goede bedoelingen?” Ik begrijp dat sommigen, ook in mijn familie, dat geloven. Misschien was het wel zo, al bleken die bedoelingen achteraf ongelooflijk fout. Lag aan de tijdsgeest, zegt men dan. Zouden ze daar nu kritischer over moeten zijn? Ik denk het wel. Waarom is dat dan zo moeilijk? Omdat het het verhaal is van hun ouders en hun kindertijd – een verhaal met warme, mooie herinneringen – dat geschreven staat op deze donkere bladzijden van de Belgische geschiedenis. Omdat de schroom – ook bij de kleinkinderen van de kolonie – vaak te groot is om die oude wonden open te halen. En omdat, als de jonge generatie dat dan toch nog eens probeert, de sfeer bedorven is op het Kerst- of Paasfeest, die weinige momenten waarop we elkaar nog eens zien.  

Burundi. Wij. Laat Kinderen van de kolonie een aanleiding zijn om het echt over ons verleden en onze rijkdom te hebben. Om de achterkleinkinderen van de kolonie wel te gaan onderwijzen over deze donkere geschiedenis. Om de koning met de baard van zijn gebeeldhouwd paard te halen. Om na te denken hoe we het historisch onrecht ten aanzien van Congo, Burundi, Rwanda, hun inwoners en de diaspora kunnen rechtzetten – minstens volwaardig kunnen erkennen. Om eindelijk het taboe te doorbreken. En misschien, heel misschien, lukt dat dan in mijn familie, en andere families, ook.   

Jonas Vernimmen is onderzoeker mensenrechten aan de KU Leuven (België), waar hij een doctoraat voorbereidt over de rechten van etnische en religieuze minderheden in Europese scholen. Momenteel verblijft hij aan Columbia Law School (New York) voor een LL.M.-opleiding.

Meer lezen? Lees hier het eerste stuk in deze reeks van Sarah Madimba.

 

[1] BE jungle, rimboe, wildernis (Van Dale)