Constructief Beeldenstormen: lessen uit de zestiende eeuw

De verplaatsing van één beeld in het Mauritshuis veroorzaakte een rits verwijzingen naar de Beeldenstorm, die in de zomer van 1566 honderden kerken en kloosters in puin legde. Een serieuze vergelijking tussen toen en nu biedt perspectief op de huidige beeldstrijd in Nederland, schrijft David de Boer.

‘Mijn argument was en is de verder weg liggende geschiedenis niet te beoordelen met de bril van nu’, tweette Mark Rutte op 21 januari over de beeldenstorm die momenteel in ons land zou woeden. De premier herhaalde bijna letterlijk de woorden van emeritus hoogleraar en slavernij-expert Piet Emmer, die het onbehagen over koloniale eerbetonen twee weken geleden hekelde in de Volkskrant en Trouw en daarmee een verhitte discussie aanzwengelde.

Het scheutig gebruik van de term ‘beeldenstorm’ door onder andere Telegraaf, PVV en VVD laat vooral zien dat deze zelfbenoemde hoeders van de objectieve geschiedschrijving weinig moeite hebben met de andere kant van de medaille; je mag gerust het heden misduiden door middel van buitenproportionele vergelijkingen met een historische gebeurtenis. Dit leidt tot een mooie ironie. Blijkbaar is de Beeldenstorm van 1566 een dusdanig onderdeel van ons cultureel geheugen en onze identiteit dat we anno 2018 direct aan haar refereren om uiting te geven aan onze angst voor verlies van cultureel geheugen en identiteit. De vormende waarde van beeldenstormen wordt in een adem bevestigd en ontkend.

Retabel Utrecht – Stedelijk Museum Bureau Amsterdam

Toch, als we één les mogen trekken uit de stormachtige zestiende eeuw is het dat iconoclasme – de algemenere term voor beeldenstormen – niet alleen vernietigt, maar ook creëert. Wie vandaag de dag door de Dom van Utrecht loopt wordt geheid gegrepen door het St. Anna te Drieën retabel, waarvan de koppen van de heiligen in 1580 werden afgeslagen. De grove grijze materie die erachter zichtbaar werd reduceerde het werk weer tot zandsteen, maar bracht het tegelijkertijd meer dan ooit tot leven; nog steeds spat de woede van de beeldenstormer ervan af. Zulke zichtbare restanten van de strijd om onze beeldcultuur zijn kostbaar. Restauratie zouden we inmiddels als vernietiging van een adembenemend directe confrontatie met het verleden beschouwen.

Beelden zijn zo dood of levend als de emoties die ze oproepen. Als beelden worden geschonden en uit hun normale context worden gerukt kunnen de gemoederen hoog oplopen. Zeer zelden zijn die emoties echter binair in te delen tussen enerzijds een ‘overeenstemming met’ en anderzijds een ‘diametraal tegen’ hoe het beeld ooit ‘bedoeld’ was. Zo ook in 1566. Volgens de reformatoren Luther en Calvijn waren heiligenbeelden niet meer dan hout en steen – een stelling die overigens tijdens het Concilie van Trente in 1563 door de Katholieke Kerk werd beaamd. Niettemin waren sommige beeldenbrekers verbaasd dat beelden niet begonnen te bloeden toen zij ze verminkten. Zij verbreidden niet het onttoverde wereldbeeld van protestantse theologen met moker in plaats van pen; ze geloofden demonen te bevechten.

Andersom reageerden veel katholieken juist bijzonder ‘wereldlijk’ op de Beeldenstorm. In plaats van religieus stelling te nemen betreurden ze vernielde altaarstukken om hun artistieke schoonheid of benadrukten ze dat de beeldenstormers zich hadden vergrepen aan gemeenschappelijk bezit. Behalve representaties van heiligen waren devotiebeelden een investering van zuurverdiend geld, een dierbare herinnering aan een overledene die het ooit aan de kerk had geschonken, of een object van stedelijke trots.

Voor velen was de Beeldenstorm dus een uitermate pijnlijke ervaring, maar ook tijdgenoten leerden gebroken objecten herwaarderen. Mechelen plaatste na haar verzoening met Filips II in 1585 gestormde beelden op haar stadsmuur; ze hadden hun devotionele waarde verloren, maar deden nu dienst als herbevestiging van Mechelens katholieke identiteit. Diezelfde Filips stelde in het Escorial ten noorden van Madrid een hostie tentoon die zou zijn gaan bloeden toen hij in 1572 door beeldenstormers in Gorinchem werd vertrapt – een duidelijk geval van waardevermeerdering.

Ook vandaag de dag zien we een discrepantie tussen hoe de beelden ooit bedoeld waren en hoe ze uitgelegd worden. Weinig behoudende critici verdedigen nog dat we trots moeten zijn op de omstreden helden wier beelden nu ter discussie staan. In plaats daarvan stellen ze dat je met het verwijderen van standbeelden het verleden uitwist. Daarin hebben zij gelijk, zij het niet het verleden van J.P. Coen of Michiel de Ruyter, maar dat van de negentiende-eeuwse nationalisten die deze figuren op een sokkel zetten. Vanuit die redenering kun je echter prima concluderen dat zolang die beelden maar blijven staan er behoorlijk wat speelruimte is.

Red Army Bulgaria – Reddit

Gelukkig zijn er heel wat minder onomkeerbare manieren van iconoclasme. In Sofia toverde een anonieme straatkunstenaar in 2011 – tot ergernis van het Kremlin – met wat verf de soldaten van het rode leger om tot een bont gezelschap van kapitalistische Americana, aangevoerd door Superman. Het kan zelfs zonder vandalisme. Datzelfde jaar schreef de gemeente van Bolzano een prijsvraag uit over wat te doen met een kolossaal fascistisch reliëf dat een van de stadskantoren (ont)sierde en voorbijgangers dag na dag opriep om ‘te geloven, te gehoorzamen en te vechten’. Het winnende voorstel schittert in zijn eenvoud: Op het reliëf wordt nu een quote van Hannah Arendt geprojecteerd: ‘Niemand heeft het recht te gehoorzamen’. Het beeld is tegelijkertijd intact, verstoord en verrijkt en eist op een radicaal nieuwe manier de aandacht op.

Pasquino – Studiolum.com

David van Reybrouck merkte in OVT op dat Amerikaanse iconoclasten – tot op zekere hoogte zoals hun zestiende-eeuwse voorgangers – Confederate monumenten behandelen alsof ze een ziel bezitten. Hij hoopt dat zich in Nederland niet eenzelfde ritualistische omgang ontwikkelt. De intense discussie heeft de beelden echter al lang een ziel gegeven. Laten we ze dus juist tot leven brengen, het liefst steeds opnieuw! Zo bekladden de Romeinen al ruim 500 jaar een aantal restanten uit de klassieke oudheid met satire. Pasquino (aan wie we het synoniem voor schotschrift ‘paskwil’ te danken hebben), Madame Lucretia, Abt Luigi en collega’s met andere koosnamen vormen samen de ‘Congregatie van Scherpzinnigen’. Namens de bevolking postuleren ze op ludieke wijze allerhande kritiek op overheid en kerk. Soms ontstaan er zelfs romances en wisselen de beelden liefdesbrieven uit. Wees dus creatief: Haak een boetekleed voor Coen en laat hem spijt betuigen, geef De Witt een engeltje en een duiveltje op zijn schouders, of leg een ketting om De Ruyters been. En misschien, nu wij niet meer van ze houden, kunnen ze elkaar eens de liefde verklaren.

David de Boer promoveert aan de Universiteit Leiden en de Universiteit Konstanz op internationale publiciteit voor religieuze vervolgingen in de zeventiende en achttiende eeuw. Eerder publiceerde hij over katholieke reacties op de Beeldenstorm.

Verder lezen:

Herman Kaptein, De Beeldenstorm (Hilversum 2002).

Erika Kuijpers en Judith Pollmann, ‘Turning Sacrilege into Victory: Catholic Memories of Iconoclasm, 1566-1700’, G.E. Hopkin en W.G. Pooley (red.), Rythms of Revolt: European Traditions and Memories of Social Conflict in Oral Culture (London, New York 2017) 155-170.

David de Boer, ‘Picking up the Pieces: Catholic Material Culture and Iconoclasm in the Low Countries’, BMGN – Low Countries Historical Review 131, 1 (2016) 59-80.

Henk van Gessel, Pasquino: Spot en Satire in Rome (Amsterdam 2006).