De rellen van Hamburg en de zoektocht naar een autonoom leven

Tijdens de rellen in Hamburg rondom de G20-top werden winkels en auto’s in brand gestoken en stenen naar de politie gegooid. Kunnen we deze vormen van geweld beter begrijpen als we terugkijken op de zoektocht naar een autonoom leven rond 1980?

G20a
© Florian Faber, 2017.

 

Over de rellen rondom de G20-top in Hamburg werd de laatste weken flink wat afgeschreven. Sommige journalisten leken haast op een uitbarsting van geweld te wachten. Zo claimde De Volkskrant bijvoorbeeld dat Hamburg was veranderd in een ‘slagveld’, hoewel er geen dodelijke slachtoffers vielen, de getroffen buurten maar een klein deel van de stad uitmaken en de mensen ook in die buurten een dag later weer rustig hun latte macchiato konden drinken.

Maar naast sensatiejournalistiek leidden de incidenten in Hamburg ook tot interessante beschouwingen. Dietmar Piper, een commentator van het Duitse opinieblad Der Spiegel, duidde de rellen als een onderdeel van een maatschappelijke zoektocht naar zelfverwezenlijking en authenticiteit: ‘Elke samenleving krijgt de rebellen die ze verdient.‘ Zijn analyse beperkte zich niet tot het heden maar keek ook terug op het verleden. Kern van zijn betoog was een ‘autonoom’ pamflet uit de jaren ’80, waarin het gooien van een steen naar de politie als een kort moment van radicale vrijheid werd verheerlijkt.

 

G20b
© Florian Faber, 2017.

 

Hoe gewelddadig ook, de stenen waren in de jaren tachtig met opzet een veel matigere vorm van geweld dan de moord- en bomaanslagen van de RAF. Het geweld van de autonomen was minder hevig en de utopie die ze nastreefden minder verregaand. Onderzoek van de historicus Joachim Häberlen analyseert dit geweld als een manier om ‘autonome’ ruimtes te scheppen en te verdedigen in plaats van de kapitalistische, burgerlijke samenleving, met terroristisch geweld, omver te werpen. De toe-eigening van negentiende-eeuwse stadsbuurten door het kraken van huizen en het opzetten van ‘alternatieve’ centra werd beschouwd als de manier om een nieuwe vorm van leven in te richten.

Deze nieuwe levensvorm ontwikkelde zich via intense discussies, spontane feestjes en vrije seksualiteit, waardoor uiteindelijk elke tegenstrijdigheid tussen het individu en het collectief  zou moeten verdwijnen. Ze stond open voor immigranten en homo’s, maar ook voor drugsverslaafde en psychisch afwijkende mensen: groepen die in de consumptiemaatschappij en burgerlijke cultuur van de jaren ’70 en ’80 niet werden geaccepteerd.

G20c
© Florian Faber, 2017.

 

Maar deze nieuwe levensvormen stonden al vanaf het begin onder constante druk. Zo zorgde modernistische stadsvernieuwing ervoor dat er steeds minder ruimte was voor experimenten. Onder invloed van dit soort bedreigingen duidden autonomen het voortbestaan van hun beweging in toenemende mate in existentiële termen. Geweld was gerechtvaardigd bij het verdedigen van ruimtes waar mensen zich los van het heersende kapitalistische systeem konden ontwikkelen. Een in 1982 gepubliceerde interviewbundel droeg de sprekende titel Als je leven je lief is: Vraaggesprekken met krakers en kraaksters: ‘Ik wil gewoon mijn tijd nuttig maken, besteden aan zaken die ik goed vind’, lichtte een zekere Tycho zijn motivatie toe, ‘wat ik wil botst altijd met de autoriteiten’. Bij zijn ‘gevoelsmatige’ solidariteit met anderen‘ en acties  ‘die ik emotioneel kan aanvaarden‘ paste het gooien van stenen: ‘Het gaat mij om het gevoel van in leven blijven, maar je niet verzet hebben. Dat kan ik niet.‘ Het gooien van stenen was voor Tycho en andere autonome een vorm van ‘voor jezelf opkomen’ en maakte een korte ervaring van verzet en vrijheid mogelijk.

Autonomen begonnen echter ook al gauw te twijfelen aan hun alternatieve levensvorm. Was collectiviteit in de autonome levensvorm echt het grootste goed, of verdedigden veel activisten uiteindelijk vooral hun eigen belangen, net als individuen in de kapitalistische maatschappij? Waren collectieve woonvormen op den duur leefbaar of kwam na een tijdje toch weer de behoefte aan privacy op? Genoten in autonome kringen beide seksen gelijke rechten of overheerste toch het haantjesgedrag van de mannen?

G20d
© Florian Faber, 2017.

 

Het artikel ‘Twijfels van een stenengooier‘ dat in oktober 1980 in de Kraakkrant werd gepubliceerd ligt in de lijn van deze zelfkritische reflectie. Een zekere Marcel schrijft dat geweld ‘een doel op zichzelf’ aan het worden was: ‘Angst en woede zijn krachtige gevoelens, maar het blijft link ze zomaar de vrije loop te laten.’ Op deze manier was het moeilijk om ‘voor de Amsterdammers herkenbaar‘ te blijven ‘als mensen als zijzelf die om begrijpelijke reden kwaad worden‘: ‚[…] de palestijnensjaals en de helmen bedekken ook onze motieven, één zwarte vlag is niet voldoende om het verband tussen metro en woningnood duidelijk te maken.’

Rond 1980 was geweld voor linksradicale activisten dus zowel een schild als een onderdeel van een nieuwe levensvorm. Juist daarom leidde het geweld al snel tot zelfkritiek. Want het gooien van stenen leek de kloof tussen de gewone bevolking en de autonomen alleen maar groter te maken. En door het ‘voor jezelf opkomen’ centraal te stellen, begonnen autonomen tegelijkertijd steeds meer op de door hen zo verfoeide individualisten te lijken. Juist deze ambiguïteit zag men in de rellen van Hamburg terug.

De zoektocht naar een autonoom leven is altijd samengegaan met geweld. Met stenen proberen autonomen zich af te zetten tegen de geïndividualiseerde maatschappij – maar blijken ze daar tegelijk het spiegelbeeld van.

Moritz Föllmer is UHD Nieuwste Geschiedenis Moritzaan de Universiteit van Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op de geschiedenis van individualiteit in Duitsland en West-Europa in de twintigste eeuw, ondermeer Individuality and Modernity in Berlin: Self and Society from Weimar to the Wall (Cambridge, 2013) en ‚Cities of Choice: Elective Affinities and the Transformation of Western European Urbanity from the mid-1950s to the early 1980s‘, Contemporary European History, 24 (2015).