Doordat, zoals eerder beschreven, de positie van (jonge) historici en andere geesteswetenschappers precair is, zijn zij een soort kleine ondernemers met onderzoek, onderwijs en andere activiteiten en vaardigheden in hun winkeltje. Belangrijke klanten zijn: universiteiten, NWO, andere financiers, publieke instellingen en media. Hoe bestier je zo’n winkeltje? Een N=1 studie.

Bijeenkomsten van promovendi in de geesteswetenschappen beginnen meestal met een voorstelrondje. Mij valt op dat iedereen begint met de opmerking dat hij of zij  ‘een vreemde eend in de bijt’ is. Bijvoorbeeld omdat diegene naast de promotie werkt als leraar in het voortgezet onderwijs, freelance journalist, medewerker van de universiteitsbibliotheek, of consultant voor musea. Of ze komen uit het buitenland met een beurs of financiële steun van familie.

Al die zelfbenoemde vreemde eenden – ik was er ook één – gaan ervan uit dat ‘normale’ promovendi in de geesteswetenschappen een (bijna) fulltime baan voor vier jaar hebben om hun proefschrift te schijven. Onder historici klopt dat in veel gevallen, maar bij letterkunde of kunstgeschiedenis veel minder. Ik heb hier geen cijfers over kunnen vinden, maar aan mijn eigen instituut LUCAS heeft nog geen kwart van de promovendi zo’n ‘ouderwetse’ promovendusaanstelling. In mijn vorige stukje betoogde ik dat geesteswetenschappers ondernemend (moeten) zijn, al blijft dat gegeven vaak verraderlijk impliciet. Uit de veelheid aan constructies waarbinnen zij het zichzelf financieel en praktisch mogelijk maken promotieonderzoek te doen, blijkt dat ze in ieder geval vindingrijk zijn.

Ook mijn eigen pad – als promovenda en sindsdien – wijkt af van wat in het algemeen als normaal gezien wordt in een wetenschappelijke carrière. De crux voor mij om het vol te houden en er plezier in te hebben, was dat ik me vrij vroeg realiseerde dat er onredelijk veel en hoge eisen liggen. Ik kan alleen voldoen aan die eisen die ik zelf belangrijk vind en waar ik energie van krijg. Een eigenwijze visie waar ook grenzen aan zijn: als je college geeft moet je er staan en dat proefschrift moet er komen. Maar het is prima om daarbij een vreemde eend te zijn. Op het moment dat ik besloot af te wijken van de norm was dat altijd eng en later bleek het meestal een goede keus.

De constructie waarin ik mijn promotieonderzoek deed – in vijf jaar tijd met een halve baan als promovendus en een halve baan als docent bij hetzelfde instituut – komt weinig voor, maar heb ik welbewust opgezocht. LUCAS had er geen ervaring mee en net als ik nam het management dus een risico.

Dat pakte positief uit. Door veel college te geven verzonk ik niet in de eenzaamheid die veel promovendi tegenkomen – en waar ik slecht tegen gekund zou hebben – en na mijn promotie kon ik meteen bij hetzelfde instituut doorgaan met het geven van de vakken die ik er tijdens mijn promotieonderzoek gaf. Voor de meeste promovendi eindigt hun tijdelijke baan als ze promoveren, maar ik had jaren tijd gehad om mezelf daarnaast als docent te ontwikkelen en onmisbaar te maken. Ik had natuurlijk geluk met mijn vervolgbaan, maar sowieso paste de keus om veel onderwijs te geven goed bij mij. Ik heb, tegen alle adviezen in, daardoor weinig gepubliceerd tijdens mijn promotietraject.

Omdat ik, tijdens mijn promotietraject en nog steeds, graag contact heb met een breder publiek, doe ik vrij veel naast onderwijs en onderzoek.[1] Ik zoek vooral dingen buiten de universiteit. Je kan lang discussiëren over de vraag of dit in de ongrijpbare visie van NWO de allerbeste keuze is, maar in elk geval is het fijn, en volgens mij ook best strategisch, om zichtbaar te zijn met iets dat je zelf leuk en belangrijk vindt.

In de aanloop naar de verkiezingen in de VS vorig jaar heb ik bijvoorbeeld een paar maanden een wekelijkse column over de verkiezingsstrijd geschreven voor het Leidsch Dagblad en andere regionale kranten. Daardoor moest ik nee zeggen tegen andere dingen, maar het was fantastisch. Er ging een wereld voor me open. Ik schrijf nu nog maandelijks voor het Leidsch Dagblad en geef regelmatig lezingen en workshops buiten de universiteit. Daar word ik voor betaald en ik ben ondernemer genoeg om er gewoon over te onderhandelen zoals je ook zou doen als je echt een bedrijfje had.

Af en toe kom ik collega’s tegen die het raar vinden om geld te vragen voor activiteiten buiten de universiteit. Ik vind in veel gevallen van niet. Een lezing over Amerikaanse literatuur in een openbare bibliotheek geef ik voor (bijna) niets, maar een zorgverzekeraar die een discussiemiddag voor het management over het Amerikaanse zorgsysteem organiseert kan daar best voor betalen. Bijdragen aan Over de Muur zijn gratis, maar artikelen in opdracht van de Telegraaf Media Groep, de commerciële uitgever van het Leidsch Dagblad, niet.

Natuurlijk wil ik de kennis delen die ik opdoe, maar ik vind niet dat inhoud altijd gratis hoeft te zijn. Zeker niet als de organisator er ook geld aan verdient en de hippe zaal wél tegen commercieel tarief inhuurt. Het kost wel degelijk extra tijd en gratis werk leveren is oneerlijke concurrentie tegenover freelancers, die hun huur niet kunnen betalen als ze voor niks werken. Misschien nog belangrijker is dat wat wij produceren waarde heeft. Als je het dan ‘zomaar’ weggeeft, devalueer je je werk eigenlijk zelf. Daar wil ik niet aan meedoen. Geesteswetenschappelijk onderzoek wordt toch al weinig gewaardeerd, terwijl het keihard nodig is.

Het geld dat ik zo verdien gaat naar de universiteit. Ik zou het ook rechtstreeks kunnen ontvangen, maar het gaat om werk dat ik, extra, maar toch vanwege mijn functie als universitair docent doe. Daarom is het zuiverder zo. Het komt terecht in een speciaal potje waaruit ik beroepskosten kan betalen. Vooral: conferentiebezoek. Dat is toevallig ook nog belangrijk voor NWO-aanvragen, omdat het toont dat je internationaal meedoet in je vakgebied. En daarnaast geeft het enige financiële vrijheid in het uitvoeren van de overige 90% van mijn werk, onderwijs en onderzoek. Zo kan ik boeken kopen die ik daarvoor moet lezen. Juist in een baan die zo autonoom is als de mijne is die ruimte ontzettend fijn.

Volgende keer meer over acquisitie. Hoe profileer je je met wat je wilt en kunt doen? En hoe maak je daar ruimte voor zonder overwerkt te raken?

Sara Polak (copyright Hedske Vochteloo)

Sara Polak is universitair docent American Studies aan het Leiden University Centre for the Arts in Society, gespecialiseerd in Amerikaanse cultuurgeschiedenis en letterkunde. Ze doet momenteel onderzoek naar culturele herinneringen en verhalen op Twitter en schrijft voor o.a. het Leidsch Dagblad over Amerikaanse politiek, cultuur en geschiedenis.

[1] Enige relativering is wel op z’n plaats hier: 90% van mijn werk bestaat uit onderzoek en onderwijs.