Eric Wiebes is nog lang geen Lodewijk Napoleon

Terwijl de Groningse aardbevingen vooral anti-Hollandse sentimenten in de kaart lijken te spelen, wakkerde rampspoed in het verleden de saamhorigheid vaak juist aan. Een reeks rampen rond 1800 laten zien hoe dat in zijn werk ging.

Begin januari beefde de grond in het Groningse plaatsje Zeerijp. Met een kracht van 3,4 op de schaal van Richter was deze aardbeving uitzonderlijk zwaar en tevens de zoveelste in een lange rij. In 2017 kreeg de provincie maar liefst achttien aardbevingen met een kracht van 1,5 of meer te verduren. De gaswinning in de regio is de hoofdoorzaak. Voor de inwoners van de provincie is de maat vol: na de aardbeving bij Zeerijp lieten duizenden Groningers tijdens een ad hoc georganiseerde fakkeltocht voor de zoveelste maal hun ongenoegen blijken over het Haagse gasbeleid.

De gascrisis lijkt in Groningen anti-Hollandse sentimenten te bevorderen. De Groningers voelen zich in de steek gelaten en vermoeden dat hun landgenoten hun provincie enkel zien als wingewest. Een voorbeeld: toen een SP-Tweede Kamerlid de demonstranten na de fakkeltocht voorhield dat heel Nederland nu even Groningen was, gromden velen sceptisch – de Haagse politica kon deze ervaring niet zomaar claimen. Deze reactie is opvallend, aangezien de Nederlandse geschiedenis rijk is aan rampen die nationale saamhorigheid juist aanwakkerden. Zo leefde heel Nederland met Zeeland mee tijdens de watersnoodramp van 1953. Ook in een reeks rampen na 1800 ontstond een sterk gevoel van nationale solidariteit. Een vergelijking met de reactie op deze laatste rampen laat volgens ons zien waar de Nederlandse overheid de afgelopen jaren steken heeft laten vallen in Groningen – en hoe ze het weer goed kan maken.

‘Leydens Ramp, Veröorzaakt door het springen van een Schip met Buskruit, op den 12 January 1807’, Jan Willem Pieneman, 1809. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Nederland werd tussen 1807 en 1809 getroffen door drie zware rampen: op 12 januari 1807 ontplofte er een kruitschip in het stadscentrum van Leiden, in januari 1808 zette een stormvloed delen van Zeeland onder water en in januari 1809 leidde kruiend ijs tot diverse dijkdoorbraken in Gelderland. Telkens waren er vele doden te betreuren en was de materiële schade onafzienbaar. Het was koning Lodewijk Napoleon, in 1806 door zijn broer Napoleon tot koning van het Koninkrijk Holland gepromoveerd, die door zijn optredens in de nasleep van deze rampen veel lof oogstte. Dit deed hij door collectes op te zetten en zelf grote hoeveelheden geld te doneren, maar ook door zich zonder uitzondering naar het getroffen gebied te spoeden. In 1807 was hij tot diep in de nacht in Leiden aanwezig om de hulpacties gade te slaan en de slachtoffers te ondersteunen en in 1809 hielp hij in de stromende regen zelfs enige uren bij het vullen van zandzakken. Daarnaast zette hij zich in voor preventief beleid. Door zijn inzet steeg zijn populariteit in Nederland aanzienlijk en wist Lodewijk een heuse volkskoning te worden, ondanks de controversiële samenloop van omstandigheden die hem op de troon had doen belanden.

Natuurlijk is het niet helemaal eerlijk om de gascrisis van nu met deze geschiedenis te vergelijken. Er zijn drie belangrijke verschillen. Allereerst was het positieve beeld dat van Lodewijk ontstond voor een groot deel ook het gevolg van een goed functionerend propaganda-apparaat. Hij was vaak zelf verantwoordelijk voor de realisering van verslagen, prenten en schilderijen die hem neerzetten als de betrokken vader des vaderlands. Een dergelijke propaganda-actie zou in de mediacratie van vandaag de dag van alle kanten worden gefileerd. Daarnaast leidden de rampen rond 1800 wel degelijk ook tot kritiek. De rampspoed tijdens het bewind van Lodewijk Napoleon werd aangegrepen om het Franse bewind in Nederland te bekritiseren. De explosie en overstromingen lagen in het verlengde van de politieke rampspoed die het land met de overmeestering door Napoleon te verwerken had gekregen, zo redeneerde de oppositie.[1]

Het belangrijkste verschil is nog wel dat er begin negentiende eeuw nauwelijks een traditie was die dicteerde dat de centrale overheid zorg diende te dragen voor, bijvoorbeeld, het onderhoud van dijken en het organiseren van hulpacties. Dat zij deze verantwoordelijkheid wel nam, was dan ook een positieve nieuwigheid. Hoe anders is dat nu: de Nederlandse overheid heeft de gasbaten meer dan vijftig jaar lang gebruikt om de verzorgingsstaat op te bouwen en te onderhouden en is daarmee per definitie verantwoordelijk voor de aardbevingen in Groningen. Den Haag zal dus per definitie hard moeten werken om de Groningers niet nog verder van zich te laten vervreemden.

Desalniettemin zijn er belangrijke lessen te leren. Allereerst onderstreept deze geschiedenis het belang van verbindend leiderschap: autoriteiten kunnen hun betrokkenheid demonstreren en ruimte scheppen voor emotie, zodat leed en maatschappelijke onrust kunnen worden gekanaliseerd. Zo sprak Lodewijk in 1807 in een openbare brief over een ‘algemeene ramp’ en gaf hij te kennen dat hij er zorg voor zou dragen dat Leiden haar ‘alouden voorspoed’ snel weer zou bereiken. Te lang heeft de Nederlandse overheid het belang van dergelijk leiderschap niet door gehad. De technocratische benadering van Henk Kamp (de verantwoordelijke minister in het vorige kabinet) kan gerust beschouwd worden als de tegenhanger van empathisch leiderschap: na een beving in 2014 beweerde hij bijvoorbeeld dat de Groningse aardbevingen nu eenmaal ‘een fact of life’ zijn. Zijn opvolger in Rutte III, Eric Wiebes, lijkt een inhaalslag te willen maken. Hij heeft zich de afgelopen maanden al meermaals onder de Groningers gemengd en hun leed ruimhartig erkend (‘Als ik hier zou wonen zou ik niet zo kalm zijn.’).

Detail van ‘Leydens Ramp, Veröorzaakt door het springen van een Schip met Buskruit, op den 12 January 1807’, Jan Willem Pieneman, 1809. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Lodewijk had echter door dat leiderschap niet symbolisch moest blijven en voegde de daad bij het woord. Zo zette hij zich persoonlijk in voor preventiebeleid, door zich onder meer hard te maken voor de versterking van de dijken. Ook hier lijkt Wiebes van de fouten van zijn voorganger geleerd te hebben. Waar Kamp weinig vaart maakte bij het opstellen van een schadeprotocol, had Wiebes deze klus binnen twee weken geklaard. Daarnaast lijkt het erop dat hij werk gaat maken van een drastische reductie van de gaswinning. De toekomst moet echter uitwijzen of dit geen loze woorden zijn en of Wiebes in staat is de nieuwe Lodewijk Napoleon te worden.

Adriaan Duiveman, Marieke van Egeraat, Fons Meijer en Lilian Nijhuis zijn promovendi en doen onderzoek binnen het Vici-project van Lotte Jensen, ‘Dealing with Disasters in the Netherlands: the Shaping of Local and National Identities, 1420-1890’. Voor meer informatie, zie: www.dealingwithdisasters.nl

[1] Lotte Jensen, ‘“See our Succumbing Fatherland, Overwhelmed by Disaster, Woe and Strife”: Coping with Crisis During the Reign of Louis Bonaparte’, Dutch Crossing 40:2 (2016), 151-164.