Hoe grensverleggend zijn Nederlandse komieken nu eigenlijk?

Edurne De Wilde onderzocht hoe Nederlandse komieken tussen 1975 en 2010 omgingen met het onderwerp integratie. Haar conclusie: komieken gingen het onderwerp niet uit de weg, maar waren zeker ook niet grensverleggend. Zo lieten ze kansen liggen, betoogt De Wilde.

Kees van Kooten en Wim de Bie tijdens de opnames van Simplisties Verbond in 1976 (Foto: Rob Mieremet / Fotocollectie Anefo Reportage, CC0 1.0)

Een van de meest memorabele sketches over integratie is de sketch uit Simplisties Verbond waarin Mehmet Pamuk (Kees van Kooten), een Turkse gastarbeider, inkopen gaat doen bij zijn lokale groenteboer (Wim de Bie). Deze sketch is verre van een uitzondering, want integratie kwam tussen 1975 en 2010 regelmatig aan bod in uiteenlopende Nederlandse humoristische programma’s als Jiskefet, The Comedy Factory en Draadstaal, om er maar enkele te noemen.[1]

De dagelijkse praktijk van integratie

Wat deze humoristische programma’s met elkaar gemeen hadden was dat ze illustreerden dat integratie in de dagelijkse praktijk niet altijd van een leien dakje liep. Zo maakten Van Kooten en De Bie in de eerdergenoemde sketch duidelijk dat taal een obstakel vormde in de omgang tussen witte Nederlanders (de groenteboer) en nieuwkomers (Mehmet Pamuk). De komieken draaiden de rollen echter om. Het was niet Pamuk, maar de groenteboer die met de Nederlandse taal worstelde. Pamuks Nederlands was ietwat archaïsch, maar allesbehalve gebrekkig. Aldus Pamuks conclusie: ‘Ik vind Nederland één van de beschaafdste landen van West-Europa, maar één ding valt mij steeds vaker op en dat is dat Nederlanders voortdurend onzorgvuldiger hun moedertaal beginnen te spreken.’

De eerste grens: xenofoben en xenofielen

Deze bekende sketch uit 1984 was typisch en atypisch tegelijk. De sketch was typisch in de zin dat de witte Nederlander, in dit geval de groenteboer, het onmiskenbare doelwit van de grap vormde. Dit was een belangrijk kenmerk van integratiehumor in die tijd: het doelwit van de grap mocht enkel een witte autochtone Nederlander zijn. Het feit dat Pamuks personage best amusant was, deed daar geen afbreuk aan.

Daartegenover was de sketch met Mehmet Pamuk atypisch aangezien de groenteboer geen uitgesproken xenofoob of xenofiel was. In tegendeel, hij stond symbool voor de doorsnee Nederlander. Dat was vrijwel ongezien, want in de meeste humoristische programma’s waren het karikaturale xenofobe en xenofiele typetjes die het mikpunt van spot vormden.

Komieken waren hard ten aanzien van xenofoben en xenofielen. Xenofoben als Fred Onderbuik uit Draadstaal werden steevast afgeschilderd als achterlijk en hypocriet. (Toeval of niet, ook Freds Nederlands was erbarmelijk.) Xenofielen werden dan weer gehekeld om hun onwetendheid en paternalisme. Denk aan Oda, Femke en Guusje, de drie dames van Stichting Hulp uit Jiskefet, die tijdens een vergadering met een Senegalese asielzoeker unaniem besloten ‘Senegal City’ in te vullen als plaats van herkomst op zijn formulier.

Of ze nu xenofoben of xenofielen waren, uiteindelijk bekritiseerden komieken autochtone Nederlanders om hun valse gevoelens van superioriteit. Xenofoben waanden zich volgens komieken superieur omdat ze hun eigen cultuur per definitie als beschaafder dan die van de ander achtten. De superioriteitsgevoelens van xenofielen vonden dan weer hun oorsprong in het beeld dat ze van zichzelf hadden als redders in nood.

Die kritische boodschap werd misschien wel (h)erkend door de kijkers, maar drong niet door. De focus op karikaturale vertegenwoordigers van de twee uiteinden van het integratiedebat maakte elke vorm van identificatie met het doelwit van de grap onmogelijk. De personages waren zo extreem dat de kijkers zich erboven konden zetten: Ja, er zijn Nederlanders die er zulke meningen op nahouden en nieuwkomers zo behandelen, maar tot die groep behoor ik heus niet.

Deze eerste limiet aan de kritische introspectie zegt veel. Het geeft aan dat de kritische introspectie waar komieken toe aanzetten vooral betrekking had op de Nederlandse samenleving als geheel en niet op de individuele kijkers die er deel van uitmaakten.

De tweede grens: privilege als blinde vlek

De kritische introspectie stuitte nog op een andere grens. Deze keer ging het niet om met wie het gepast was te lachen, maar met wat. Waar de superioriteitsgevoelens van de xenofoben en xenofielen grappig waren, was hun geprivilegieerde positie dat allesbehalve. Sterker nog, komieken legden het verband niet. Hoewel ze aandacht hadden voor de achtergestelde positie van allochtonen, bleef de keerzijde van die medaille, het privilege van witte autochtone Nederlanders, onderbelicht.

Ook komieken met een migratieachtergrond brachten privilege niet ter sprake. Verrassend is dat niet, want met The Comedy Factory werd hen in Nederland pas rond de eeuwwisseling voor het eerst een televisiepodium gegeven. Meteen een risico nemen en een gevoelige kwestie als privilege aankaarten zou hoogstwaarschijnlijk een negatief effect gehad hebben op hun carrièreperspectieven.

Oboema Sesetokoe, een Jiskefet-typetje, was een zeldzaam tegenvoorbeeld van een personage dat indirect aanleiding gaf tot een discussie over privilege. Als ‘witte n* uit Amsterdam-Oost’[2] genoot hij de privileges van een witte man van middelbare leeftijd. Het feit dat hij zich identificeerde als zwart deed daar geen afbreuk aan. Voor zijn (witte) echtgenote José en de buitenwereld was hij een vreemde kwibus met een afrokapsel en een rotkarakter, maar desalniettemin één van hen. Het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ werd dus uiteindelijk gemaakt op basis van huidskleur.

Privilege is wereldwijd actueel, maar (nog) niet grappig

Is privilege vandaag nog steeds een taboe voor komieken? De documentaire Hello, Privilege. It’s Me, Chelsea (sinds kort op Netflix) doet vermoeden van wel. In de documentaire vraagt Chelsea Handler, de (witte) Amerikaanse documentairemaakster, aan een diverse groep landgenoten wat ‘white privilege’ volgens hen inhoudt. Net als de Nederlandse komieken erkennen de geïnterviewden in de documentaire dat er anderen zijn die het slechter hebben dan hen. Met het erkennen van dis-privilege lijken weinigen moeite te hebben.[3] Het erkennen van privilege is een andere zaak.

Hoewel Handler zelf van beroep comédienne is, schijnt de documentaire geen licht op de omgang van komieken met dit onderwerp. Het suggereert dat komieken in hun rol van maatschappijcriticus niet reflecteren op hun eigen maatschappelijke positie. Kortom, met privilege valt (nog) niet te lachen, daarvoor moet het allereerst erkend en ernstig genomen worden. Kunnen komieken daar een rol in spelen? Vast en zeker, maar dan moeten ze een risico nemen en de grens niet alleen opzoeken, maar die ook verleggen. Wie gaat deze uitdaging aan?

Edurne De Wilde schreef haar masterscriptie over Nederlandse integratiehumor. Sinds september is ze als promovendus verbonden aan de Universiteit Leiden. Ze maakt deel uit van het project ‘Scholarly Vices: A Longue Durée History’ onder leiding van Prof. dr. Herman Paul. Haar onderzoek richt zich op moderne interpretaties van Francis Bacons idola mentis.

[1] In het kader van mijn masterscriptie analyseerde ik de volgende zes humoristische televisieprogramma’s die tussen 1975 en 2010 uitgezonden werden op de Nederlandse publieke omroep: (1) Simplisties Verbond, (2) Keek op de Week, (3) Jiskefet, (4) The Comedy Factory, (5) 100% AB en (6) Draadstaal.

[2] In Jiskefet werd er meermaals expliciet op deze manier naar Oboema verwezen.

[3] Op de vraag ‘Do you believe that white privilege exists?’ antwoordde één van de geïnterviewden: ‘No, I believe that black dis-privilege exists.’