Hoe Luther een superheld werd

In 2017 vierde de Reformatie haar vijfde eeuwfeest. Opvallend: in de vele speelfilms, boeken en alllerhande ‘Luthermerchandise’ die in dat jaar werden uitgebracht, wordt Luther voorgesteld als eigentijdse superheld die licht bracht in de tot dan toe donkere middeleeuwen. Onterecht, zo betoogt Renske Hoff.

Al in 1817 vierden Duitsland en Nederland enthousiast Luthers verrichtingen en nalatenschap van drie eeuwen eerder. Uit De Curaçaosche Courant van 8 november 1817 blijkt dat ook op de Benedenwindse Eilanden de herdenking plaatsvond. In het gedicht ‘Op het eeuwfeest der hervorming’ wordt een typerend beeld geschetst:

Toen in den donkren nacht der schrikbren middeleeuw,
Het menschdom was gedaald tot aan den staat der dieren;
De Godsdienst werd onteerd door ’t priesterlyk geschreeuw,
De deugd werd onderdrukt door hun onzinnig tieren; (…)
Toen in dien duistren nacht de menschheid scheen verloren
Toen brak d’ Hervorming door, en – ’t daglicht was geboren.

De Reformatie wordt zwart-wit neergezet als een plotselinge, grootscheepse bevrijding van een verstikkende Middeleeuwse religie, onder bezielende leiding van superheld Luther. Deze generalisaties sluiten aan bij een algemener beeld van de Middeleeuwen als een donkere sprookjestijd, schril contrasterend met de democratische en vrijgevochten Reformatie. Tweehonderd jaar later blijkt dit eenzijdige beeld van Luther en de Reformatie nog steeds sterk aanwezig. Hoewel veel hedendaagse media vermelden dat getwijfeld wordt of Luther de stellingen daadwerkelijk aan de deur spijkerde, is dergelijke nuance met betrekking tot de persoon Luther en de opkomst van de Reformatie vaak afwezig.

Still uit een promotiefilmpje van de tentoonstelling ‘Luther’ van Museum Catherijneconvent.

Het afgelopen herdenkingsjaar bevestigde dit. In de Groene Amsterdammer van oktober 2017 vallen de woorden: ‘Luther begon de Reformatie en the world took sides’. Regelmatig wordt de bijbel aangegrepen ter onderstreping van de tegenstelling tussen de Middeleeuwen en de Reformatie. Luthers Bijbelvertaling naar het Duits zou het eindelijk voor de gewone mens mogelijk hebben gemaakt de heilige schrift te lezen. Ook in een opiniestuk van radiocommentator Frank Bosman krijgt Luther de eer voor volkstalige bijbelvertalingen: ‘Hij legde de Bijbel in de handen van de christenen’. De Nederlandse equivalent die hierbij in één adem genoemd wordt is vaak de Statenvertaling, die pas in 1637 verscheen. Dat er tegen die tijd al zo’n drie eeuwen lang Nederlandse vertalingen op de markt kwamen, blijft verzwegen.

Opvallend aan dit starre beeld is dat er wel dégelijk enkele genuanceerde reacties verschenen.[1] Zo publiceerden twee Groningse historici een opiniestuk in de Volkskrant, waarin zij diverse clichés rondom Bijbellezing voor en na de Reformatie bekritiseren. Ook het boek De Delfste Bijbel, een sociale geschiedenis van Mart van Duijn spreekt tegen dat de Middeleeuwen geen volkstalige bijbels kenden.[2] De Nederlandstalige Bijbel die in zijn boek centraal staat werd al in 1477 gedrukt en zelfs daarvoor was er al sprake van een rijke handschriftelijke traditie van volkstalige Bijbels.

De nuance lijkt echter steeds verbannen tot de marges van de publieke herinnering. Het idee van een absolute, plotselinge breuk tussen de middeleeuwen en de Reformatie blijkt sterker dan historisch ‘bewijs’. Zo suggereert het citaat uit de Groene Amsterdammer dat de wereld na Luther onmiddellijk voor protestantisme dan wel katholicisme koos, terwijl uit onderzoek naar de boek- en leescultuur van de eerste helft van de 16e eeuw blijkt dat er veeleer sprake is van sterke continuïteit. ‘Katholieke’ gebruiken, zoals het vieren van heiligendagen, bleven van belang, ook voor een publiek met reformatorische interesses. Zo zijn in de, op Luthers vertalingen geïnspireerde, Bijbels van de Antwerpse drukker Jacob van Liesvelt (d. 1545) vrijwel altijd heiligenkalenders opgenomen.

Het afgelopen Lutherjaar heeft laten zien dat de aanwezigheid van genuanceerde tegenreacties en historisch commentaar an sich niet voldoende is om stereotype beelden te doorbreken. De cruciale vraag luidt: hoe dan wel? Ik denk dat het probleem van de tegenreacties ligt in hun wetenschappelijke aard, waardoor ze vaak beperkt blijven tot de verdiepende bijlages van kwaliteitskranten of tot dikke boeken. Het slag-om-de-arm-betoog waar een wetenschappelijk discours om vraagt sluit niet aan bij het karakter van een voorpagina of televisieprogramma. Om nuance in de publieke herdenking te krijgen moeten historici hun argumenten zo kunnen verwoorden dat ze aansluiten bij het populaire discours – en vanzelfsprekend zonder daarbij inhoud te verliezen. Zo zou bijvoorbeeld de opname van trainingen hierin in studieprogramma’s en PhD-trajecten jonge historici handvaten kunnen bieden, opdat de toekomst van publieke herdenkingen er genuanceerder uitziet.

Renske Hoff is promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze heeft een achtergrond in laat-middeleeuwse geschiedenis en religiewetenschappen en promoveert op de verspreiding en het gebruik van Nederlandstalige Bijbels tussen 1526 en 1546.

[1] Bijvoorbeeld de tentoonstelling Crossroads in het Allard Pierson Museum en diverse populairwetenschappelijke boeken, zoals Aan de rand van de wereld (2015) van Michael Pye of Eeuwen des onderscheids: een geschiedenis van Middeleeuws Europa (2016) van Wim Bloeckmans en Peter Hoppenbrouwers.

[2] Mart Van Duijn, De Delfste Bijbel, een sociale geschiedenis (2017): 11.