Hoezo, nazi’s waren rationeel en terughoudend?

In recente interviews beweerde wetenschapsfilosoof Maarten Boudry dat jihadisme gevaarlijker en haatdragender zou zijn dan nazisme. Die redenering gaat om verschillende redenen niet op, argumenteert Pieter Van den Heede.

Jihadi’s zijn gevaarlijker dan nazi’s. Althans, dat punt leek de Gentse wetenschapsfilosoof Maarten Boudry toch te willen maken, toen hij vorige week geïnterviewd werd door het Vlaamse dagblad De Morgen. De redenering achter zijn stelling: jihadisten zijn oprecht trots op hun moord- en folterpraktijken, omdat ze geloven dat ze als martelaar in naam van God vechten. De nazi’s daarentegen waren rationeler en gingen vooral achter gesloten deuren aan het moorden, wat op een zekere morele terughoudendheid wijst, aldus Boudry.

Michel Zacharz, “The main gate at the former German Nazi concentration camp of Auschwitz II (Birkenau).” CC-BY-SA-2.5

De redenering loopt om verschillende redenen spaak. Zo waren leidinggevende nazi’s als Rudolf Höss en Odilo Globocnik, respectievelijk de voornaamste commandant van Auschwitz en één van de belangrijkste verantwoordelijken voor de uitroeiingen in Bełżec, Sobibór en Treblinka, wel degelijk trots op wat ze ‘verwezenlijkt’ hadden, in die mate zelfs dat ze onderling probeerden uit te maken wie de meest ‘succesvolle’ massamoordenaar van het Derde Rijk zou zijn.[1] Hetzelfde geldt voor SS-dokter Friedrich Mennecke, die vanaf de zomer van 1939 mede verantwoordelijk was voor de moord op vele duizenden mensen met een fysieke of mentale beperking, via het eufemistisch aangeduide T4 ‘euthanasie’-programma.[2]

Beiden zijn ze een voorbeeld van twee bredere vaststellingen: ten eerste, veel leidinggevende nazi’s waren even fanatiek in hun overtuiging als jihadi’s, maar dan omdat ze geloofden te vechten in naam van de ‘Leider’ en het ‘Volk’, noties die binnen de nazi-ideologie een soort semi-religieus aura hadden gekregen (zie hierover het recent verschenen opinieartikel van historicus Ewoud Kieft in Vrij Nederland). En ten tweede: in veel opzichten was het nazi-staatsapparaat allesbehalve rationeel georganiseerd. Zoals al werd beargumenteerd door historici als Martin Broszat in de jaren ’80 van vorige eeuw, was het regime in belangrijke mate een kluwen van verschillende machtscentra, die elkaar voortdurend beconcurreerden in hun streven om de wil van Hitler uit te voeren – in de woorden van historicus Ian Kershaw, “working towards the Führer” – een dynamiek die het moorddadige optreden van het regime alleen maar versterkt heeft.[3]

Het betekent overigens niet dat er van terughoudendheid onder sommige nazi-daders helemaal geen sprake was; dat toont Christopher Browning in zijn boek Ordinary Men: Reserve Police Battalion 101 and the Final Solution in Poland bijvoorbeeld heel mooi aan.[4] Maar uiteindelijk sloegen ook de leden van deze politie-eenheid mee aan het moorden, wat de impact van hun weerzin uiteindelijk beperkt maakt.

Charles Russell, “Overview of the mass roll-call of SA, SS and NSKK troops. Nuremberg, November 9, 1935” CC-BY-SA-3.0

Boudry’s redenering steunt nog op een tweede observatie: de nazi’s vermoordden hun slachtoffers veeleer in het geheim, en niet en plein public. Ook hier interpreteert Boudry het optreden van het naziregime fundamenteel verkeerd. De strategie van misleiding die ze hanteerden was immers niet zozeer ingegeven door morele weerzin, maar in belangrijke mate door pragmatische overwegingen: de nazi’s hanteerden, tot onze ontsteltenis vandaag, het uitgangspunt dat ze mensen efficiënter konden vermoorden wanneer ze hen in het ongewisse lieten over het lot dat hen te wachten stond. Bekend zijn de beschrijvingen van slachtoffers die o.a. in Auschwitz-Birkenau naar de gaskamers werden geleid, onder het mom dat ze een douche zouden nemen en gedesinfecteerd zouden worden – dat was vooral bedoeld om onrust onder de slachtoffers te vermijden.[5]

Het geldt, op een ander niveau, ook voor het beeld dat de nazi’s voor de buitenwereld probeerden te creëren: ook hier deden ze er alles aan om de indruk te wekken dat er geen massamoorden aan de gang waren, om zo ongestoord te kunnen verder gaan. Een bekend voorbeeld is het ‘model-getto’ Theresienstadt, dat in 1941 in het huidige Tsjechië werd opgezet: dat werd in de nazipropaganda vanaf 1942 voorgesteld als een ‘kuuroord’ voor oudere Joden, om zo schijnbaar te verklaren waarom ook zij naar het oosten werden gedeporteerd, hoewel iedereen begreep dat ze niet in staat zouden zijn om er zware arbeid te verrichten.[6] Naar aanleiding van een inspectiebezoek van het Rode Kruis aan Theresienstadt in juni 1944 gaven de nazi’s de bewoners er zelfs de opdracht om het getto op grote schaal te renoveren – uitsluitend met de bedoeling om de inspecteurs op het verkeerde been te zetten over de opzet ervan.[7]

Misleiding gold met andere woorden als een centrale strategie van de nazi’s, en het maakte er hun optreden des te dodelijker door. Gezien het aantal slachtoffers dat ze konden maken, kunnen we Maarten Boudry dan ook alleen maar ongelijk geven: niet alleen waren nazi’s even illusoir en fanatiek in hun denken; nazisme, zoals het in de praktijk werd gebracht in Europa tussen 1933 en 1945, was vele malen gevaarlijker dan de gruwel die bewegingen als IS tot op heden hebben aangericht – als het überhaupt al zinvol is om te vergelijken hoe ‘gevaarlijk’ beide zijn, zonder enige vorm van historische context. Het doet op geen enkele manier af aan hoe verschrikkelijk salafistisch geïnspireerde terreur op zich is.

Pieter Van den Heede is promovendus geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij doet er onderzoek naar de voorstelling van de Tweede Wereldoorlog in digitale games, en doceert er vakken over geschiedfilosofie en geschiedenis als sociale wetenschap. Je kan hem volgen op Twitter via @PieterVdHeede

[1] Zie hiervoor o.a.: N. Wachsmann, KL: Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen, Antwerpen, Uitgeverij De Bezige Bij, 2015, p. 455.

[2] Ibidem, pp. 345-350; S. Friedländer, Nazi Duitsland en de Joden. Deel 2: De Jaren van Vernietiging 1939-1945, Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2007, p. 300; R. Evans, The Third Reich at War, New York, Penguin Books, 2009, pp. 75-105.

[3] Dit wordt ook wel de zogenaamde ‘functionalistische’ karakterisering van het naziregime genoemd. Voor een beknopt overzicht van deze discussie, zie: J. Caplan, “Introduction”, in: J. Caplan, ed. Nazi Germany (Short Oxford History of Germany), Oxford, Oxford University Press, 2008, pp. 14-19. Voor het concept ‘working towards the Führer’, zie: I. Kershaw, “‘Working Towards the Führer.’ Reflections on the Nature of the Hitler Dictatorship”, in: Contemporary European History, 2 (2), 1993, pp. 103-118.

[4] C.R. Browning, Ordinary Men. Reserve Police Battalion 101 and the Final Solution in Poland, Londen, Penguin Books, 2001.

[5] Zoals Wachsmann beschrijft in zijn uitgebreide studie over de concentratiekampen, werden dit soort misleidingtechnieken al standaard geïmplementeerd vanaf de laatste maanden van 1941. Zie: N. Wachsmann, op.cit., pp. 400-402.

[6] United States Holocaust Memorial Museum (USHMM), “Theresienstadt”, in: < https://www.ushmm.org/wlc/en/article.php?ModuleId=10005424 >, geraadpleegd op 26.08.2017.

[7] United States Holocaust Memorial Museum (USHMM), “Theresienstadt: Red Cross Visit”, in: < https://www.ushmm.org/wlc/en/article.php?ModuleId=10007463 >, geraadpleegd op 26.08.2017.