Is New York ooit echt Nederlands geweest?

In de tentoonstelling over de VOC in het Nationaal Archief staat de Nederlandse geschiedenis overzee centraal. Maar hoe Nederlands waren de Nederlandse overzeese gebieden eigenlijk?

Over de tentoonstelling De Wereld van de VOC in het Nationaal Archief zijn de meningen sterk verdeeld. Lovende woorden zijn er voor het prachtige materiaal dat wordt tentoongesteld, terwijl critici aankaarten dat er nog steeds met een negentiende-eeuwse, nationalistisch trotse blik naar het VOC-verleden wordt gekeken. In dit kader is het interessant dat er in deze tentoonstelling een zeventiende-eeuwse afbeelding van Manhattan is opgenomen—de voormalige kolonie Nieuw-Nederland, op dat moment al New York. Naast deze afbeelding vindt de tentoonstellingsbezoeker onder andere het manuscript waarin de VOC “Tomas Hutson” (beter bekend als Henry Hudson) opdroeg om een westelijke route naar de Oost te verkennen.

Opdracht voor “Tomas Hutson”, 19 januari 1609, tentoongesteld in “De Wereld van de VOC”, Nationaal Archief

Het idee dat Nederlanders New York hebben ‘gesticht’ spreekt veel mensen tot de verbeelding. Als ik vertel over mijn onderzoek naar Suriname, wordt regelmatig met enige teleurstelling opgemerkt dat dit ooit was geruild voor New York. De implicatie is duidelijk: wat een fout heeft Nederland toen gemaakt! En hoewel de Nederlandse nationale trots wat dit betreft een deuk heeft opgelopen, wordt de Nederlandse ‘stichting’ van New York nog steeds als een wapenfeit gepresenteerd.

Het feit dat een Engelsman het VOC-schip richting dit specifieke stukje van Amerika navigeerde, doet weinig aan die Nederlandse trots af. Hij wordt maar al te vaak geïncorporeerd in het nationale verhaal over de successen van de VOC. Dat Hudson Engels is, wordt ook in het Nationaal Archief in de begeleidende tentoonstellingsapp niet genoemd. Die nadruk op de Nederlandse kant van het verhaal staat in de tentoonstelling niet op zichzelf. Dat het “net ontdekte eiland ‘Manahatta’” al bewoond was en dat de “levendige bonthandel” te danken was aan die oorspronkelijke bewoners, komt bijvoorbeeld ook niet ter sprake. En bij Vingboons’ tentoongestelde “Nieuw Amsterdam ofte nue Nieuw Iorx”—dus gemaakt ná verovering door de Engelsen—staat enkel een bordje “Gezicht op Nieuw-Amsterdam.”

“Nieuw Amsterdam ofte nue Nieuw Iorx op t teyland Man”, Johannes Vingboons, circa 1665, tentoongesteld in “De Wereld van de VOC”, Nationaal Archief

Dat beeld van een typisch Nederlandse vestiging past in een helder, nationaal plaatje. Als we het over de Gouden Eeuw en de Nederlandse koloniale geschiedenis hebben, zijn de grenzen duidelijk. De Nederlandse Republiek had een aantal overzeese bezittingen die verdedigd werden tegen aanvallen van andere Europese mogendheden. “Ons” koloniale verleden is helder afgebakend door momenten van verovering: in 1664 verloren de Nederlanders Nieuw-Nederland. In 1667 werd Suriname Nederlands bezit. Het past goed in nationale kaders waarin we tegenwoordig graag denken. Maar in de praktijk waren die helder afgebakende grenzen een stuk minder scherp.

Zo was een machtsoverdracht dikwijls chaotisch. Het bleef lang onzeker of de nieuwe machthebber daadwerkelijk aan de macht zou blijven. Eind 1667 werd Suriname kort door een Engelse vloot heroverd, maar de nieuwe Engelse machthebbers moesten het enkele maanden later weer teruggeven, omdat in Europa de vrede al was gesloten. Andersom heroverde een Nederlandse vloot in 1673 New York. Ook dit was van korte duur, in 1674 belandde de kolonie weer in Engelse handen.

Die onzekerheid zorgde ervoor dat mensen niet zomaar verhuisden na een overname. Neem bijvoorbeeld Suriname. Dat het in 1667 formeel Nederlands bezit werd, betekende in de praktijk niet dat het karakter van de kolonie opeens radicaal veranderde. Veel Engelse inwoners, die tot slaaf gemaakte Afrikanen dwongen de winstgevende suiker te verbouwen, bleven na de Nederlandse overname in Suriname wonen. Juist vanwege de arbeidskrachten die deze Engelsen in bezit hadden, wilde de nieuwe overheid graag dat ze in de kolonie zouden blijven. Jaren later vormden de Engelsen nog steeds een groot deel van de Europese bewoners van de “Nederlandse” kolonie.

Ook in Nieuw-Nederland zorgde de Engelse verovering nog niet voor het vertrek van Nederlandse kolonisten. Zij hadden hun bestaan daar opgebouwd en een verhuizing met een onzekere toekomst was geen logische stap. Waar zouden ze heengaan, en wat zou de Nederlandse Republiek hen nog te bieden hebben? Ze bleven en hun ervaring en hun handelsnetwerk waren voor de Engelsen van onschatbare waarde.

Geheel Nederlands was Nieuw-Nederland vóór de Engelse overname overigens allerminst. Het handelsnetwerk van de Nederlanders was juist een sterk netwerk vanwege niet-Nederlandse contacten. Zo werd met Engelsen gehandeld in tabak uit het zuidelijk gelegen Virginia, en handelaars kochten bont van de inheemse bevolking. Zonder dergelijke contacten zou de kolonie het nooit hebben gered. En ook in Nieuw-Nederland werden tot slaaf gemaakte Afrikanen tot arbeid gedwongen. Daarbij was de witte bevolking van Nieuw-Nederland een zeer diverse groep, waaronder niet alleen Nederlanders, maar ook Engelsen, Fransen, Duitsers en joden.

Grenzen waren in de zeventiende eeuw poreus, en Europeanen vormden slechts een klein deel van de multinationale koloniale bevolking. Gekoloniseerde gebieden hadden voor een verovering al een lange geschiedenis en een diverse bevolking die het karakter van een plaats bepaalden. Een kolonie kon veroverd zijn en op papier in handen van een andere Europese staat zijn beland, maar in de praktijk veranderde het karakter van een kolonie pas als de samenstelling van de inwoners van die plaats veranderde.

Eigenlijk geeft juist de geschiedenis van een plaats als Manhattan goed aan dat de ‘Wereld van de VOC’—en de Nederlandse koloniale geschiedenis in bredere zin—niet vanuit een nationaal perspectief kan worden begrepen.

Suze Zijlstra is universitair docent maritieme geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Haar onderzoek richt zich op kolonisatie in zeventiende-eeuws Amerika, met speciale aandacht voor de ontwikkeling van Suriname en Nieuw-Nederland/New York.