Koloniale symbolen mogen vallen

De naamsverandering van de J.P. Coenschool in Amsterdam zou geschiedvervalsing zijn. Goed beschouwd is ze juist een teken van een verantwoorde omgang met de geschiedenis, stelt Remco Raben.

Woensdag 17 januari kopt De Telegraaf: ‘Stop de vervalsing’. In het Haagse Mauritshuis wordt een buste van de naamgever van context voorzien en in Amsterdam-Oost besluit een schoolbestuur om de naam van de Jan Pieterszoon Coenschool te wijzigen. Twee historici, Piet Emmer en Frank Ankersmit, doen een oproep om aan deze flauwekul een einde te maken en de ‘herschrijving’ van de geschiedenis een halt toe te roepen. De schrijver van het stukje, Jan-Willem Navis, doet daar nog een schep bovenop en spreekt over een beeldenstorm en geschiedvervalsing.

Beeldenstorm, vervalsing, herschrijving: het zijn termen die moeten demonstreren dat we op een verkeerde manier met onze geschiedenis omgaan. Maar is dat wel zo? Laten we de zorgen van deze historici eens tegen het licht houden.

Zijn we getuige van een Beeldenstorm? Even los van het feit dat een briesje nog geen storm maakt en De Telegraaf wel erg snel omwaait, werd het ook wel eens tijd om onze iconen wat te updaten. Kritiek op de koloniale verhoudingen is er al vele decennia, maar er gebeurde weinig mee. De koloniale symbolen zijn ooit gecreëerd om de Nederlandse natie in een periode van negentiende-eeuws hypernationalisme meer glans te geven, maar in een tijdperk waarin we mensenrechten hoger in het vaandel hebben staan dan koloniale expansie, moeten we op zoek naar andere iconen. Een kwestie van zo niet voortschrijdend, dan toch veranderend inzicht.

Natuurlijk is naamsverandering symboolpolitiek. Zoals de oorspronkelijke naamgeving ook symbolisch bedoeld was. We hebben het niet over zomaar een figuur. Jan Pieterszoon Coen is geen Maria Montessori. Het is begrijpelijk dat een school die waarden als wereldburgerschap en mensenrechten wil uitdragen niet geassocieerd wil worden met de man die de bloedige kanten van het Nederlandse kolonialisme vertegenwoordigt. Over dat laatste kan immers geen twijfel bestaan.

Is er sprake van geschiedvervalsing? Welnee. Wie suggereert dat naamsverandering een vervalsing van de geschiedenis is, maakt een reeks kapitale denkfouten. In de eerste plaats gaat het hier namelijk niet om het verdraaien of verdonkeremanen van historische feiten maar om een verandering in manieren van herdenken en representeren. We doen dat voortdurend. Ten tweede snijdt het argument dat we de geschiedenis in de eigen tijd moeten begrijpen – wat Emmer om de haverklap propageert – hier geen enkel hout. Onze historische cultuur is altijd een weerspiegeling van het verleden in het licht van het heden. Daarom onderzocht Emmer de slavernij en Surinaamse contractarbeiders. Ten derde: als we naar de historische Coen kijken, wordt zijn heldenstatus toch wat onbestemd. In zijn eigen tijd was Coens gewelddadige optreden zeker niet onbesproken. Hij was uiteraard bekend, maar geen icoon. Dat kwam pas veel later. En historisch gezien is een gouverneur-generaal als Antonio van Diemen – die overigens ook niet van smetten vrij is – misschien wel bepalender geweest voor de ontwikkeling van de VOC-handel. Vasthouden aan of loslaten van de symbolen heeft dus weinig te maken met waarheidsgetrouwheid.

Foto: Standbeeld J.P.Zn Coen in Hoorn, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, A. J. van der Wal (CC BY-SA 4.0).

Tot slot de herschrijving. Die aantijging is wellicht het interessantst. Als een schooldirectie zich van de besmette naam van Coen wil ontdoen, herschrijft zij daarmee de geschiedenis? Nee natuurlijk. Het verandert immers niets aan de feiten, noch aan onze visie op de geschiedenis. Een schoolnaam is geen schoolboek en heeft een didactische waarde van niets. Zo’n naam heeft wel betekenis, namelijk als blijk van een maatschappelijke waardering, en in dat licht moeten we het besluit ook beoordelen, niet als geschiedschrijving. Dat geldt ook voor andere symboliek in de openbare ruimte, zoals straatnamen en standbeelden.

Toch is er wel enig verband met andere manieren van omgaan met het verleden, in musea en schoolboeken en in de wetenschap. Onder invloed van de dekolonisatie en migratie zijn we kritischer tegenover (post)koloniale ongelijkheid en geweld komen te staan. Dat leidt niet tot herschrijving van de geschiedenis, maar wel tot het leggen van nieuwe accenten en het stellen van nieuwe vragen. Maar overdrijf de reactiesnelheid van historici niet. Zo komt er pas zeventig jaar na de dekolonisatieoorlog zicht op de gewelddadigheden die in die oorlog zijn gepleegd. Een overzichtswerk over de talloze Nederlandse koloniale oorlogen en de humanitaire rampen die ze hebben veroorzaakt, ontbreekt. Over de wijze waarop het kolonialisme de Nederlandse cultuur heeft beïnvloed, komt pas heel geleidelijk meer inzicht. De geschiedschrijving is in dat opzicht zeker aan het veranderen. Maar dat gebeurt niet door middel van een naamsverandering of de verplaatsing van een buste.

De Telegraaf heeft zich vergaloppeerd aan tendentieuze stemmingmakerij. Dat is geen onschuldige bezigheid. De krant misbruikt de geschiedenis om een fundamenteel gevoel van onbehagen van de lezers te mobiliseren: het gevoel dat hun culturele thuis wordt afgebroken. Dat is journalistiek van een laag soort, omdat het onrust stookt en domheid propageert. De krant houdt de lezers namelijk voor dat hun iets wordt afgenomen en dat Coen een authentiek, essentieel cultuurgoed is. Daarmee infantiliseert de krant de meningsvorming. Emmer en Ankersmit laten zich, naïef of niet, voor die kar spannen. Zij laten bovendien hun conservatieve angst prevaleren boven een kritische reflectie op het koloniale verleden en veronachtzamen gemakshalve de wezenlijke verschillen tussen geschiedenis en representatie.

Dat doen anderen beter. In de werkelijke wereld zijn de veranderende rituelen rond Johan Maurits en Jan Pieterszoon Coen een teken van een verantwoorde omgang met het Nederlandse koloniale verleden en een serieuze poging zich daartoe te verhouden. Steeds meer Nederlandse instellingen als scholen, musea en universiteiten geven zich rekenschap van de manier waarop ze het kolonialisme representeren. Ze doen dat, voor zover ik kan waarnemen, nogal voorzichtig, en met respect voor de geschiedenis. Die gewetensvolle omgang met het koloniale verleden duidt juist op een gezonde historische cultuur, waarin men zich rekenschap geeft van de symboolwaarde van de geschiedenis in de huidige samenleving.

Maar hoed je. In 2021 zal het vierhonderd jaar geleden zijn dat Banda werd geannexeerd en de bevolking werd uitgehongerd, vermoord of in slavernij weggevoerd. Hopelijk zullen we in staat zijn de discussies op een hoger niveau te voeren dan in de afgelopen dagen is gebeurd.

Remco Raben doceert Aziatische en koloniale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Amsterdam.