“Met een strip kan je in beeld brengen wat verdwenen is”

Op welke verschillende manieren doen mensen aan publieksgeschiedenis? In een serie interviews spreken we met makers die met behulp van verschillende media historische verhalen delen. In deze tweede aflevering: Marc de Lobie, de oprichter en bezieler van uitgeverij Syndikaat.

Marc de Lobie

‘Mijn werk is een uit de hand gelopen hobby,’ drukt Marc de Lobie me op het hart wanneer ik hem vraag of hij me wil vertellen over zijn werk als maker en uitgever van (historische) stripboeken. ‘Jaren geleden begon ik mijn eigen stripspeciaalzaak. Dat was altijd al een droom van mij.’ Een toevallige ontmoeting met de makers van Evert Kwok bracht de bal verder aan het rollen. ‘Ze vroegen me of ik iemand kende die hun strips wilde uitgeven,’ vertelt Marc. ‘Samen met twee vrienden en een grafisch vormgever heb ik toen wat geld bij elkaar gezocht en hebben we uitgeverij Syndikaat opgericht.’

Intussen bestaat de uitgeverij ruim vijftien jaar en kent Marc het vak vanbinnen en vanbuiten. Sinds enkele jaren legt hij zich nadrukkelijker toe op historische stripboeken. Ook de geschiedenis van het stripboek zelf spreekt Marc aan. Zo schreef hij onlangs een artikel in Stripschrift over de oudste ballonstrip van Nederland.

Asterix

Wat was er eerst: de liefde voor strips of de interesse in geschiedenis? Voor Marc is het naar eigen zeggen een probleem van de kip of het ei. ‘Van jongs af aan sleepten mijn ouders me mee langs Duitse kastelen en Romeinse ruïnes. En de Asterix albums van mijn vader … die heb ik helemaal stukgelezen.’

Deze zogenaamde Maan- en klaagbrief uit 1493 staat bekend als de oudste ballonstrip van Nederland. De strip beeldt Berhard, graaf van Meurs, en Karel van Gerle af. Bernhard beschuldigt Karel ervan dat hij zich niet gehouden heeft aan zijn belofte om hem vrij te kopen.” – bronvermelding: “Collectie Erfgoedcentrum Zutphen, inventarisnummer 2386″

Ik ben dan ook niet verbaasd wanneer Marc even later opnieuw het voorbeeld van Asterix aanhaalt. Wie kennis wil maken met het genre van de historische strip begint volgens Marc het best bij de Asterix albums. ‘Het knappe van deze strips is dat ze meerdere lagen hebben. Er is natuurlijk het verhaal zelf, wat vooral kinderen leuk, spannend en grappig vinden. Maar in het verhaal zitten ook een heel aantal subtiele verwijzingen en grappen. Die pikken kinderen doorgaans niet op, maar volwassenen wél. Dat maakt het ook voor hen leuk.’ Kortom, als je bewust meerdere betekenislagen aanbrengt, kan je met een stripboek een breed publiek bereiken. Dat hebben de makers van Asterix goed begrepen. Ook Marc houdt hier rekening mee wanneer hij een stripboek maakt.

Show don’t tell

‘Met een strip kan je in beeld brengen wat verdwenen is,’ benadrukt Marc. Daarom leent een stripboek zich bij uitstek voor het overbrengen van historische verhalen. ‘Een bekend schrijversmotto is show don’t tell. Dat geldt ook voor stripboeken. Net omdat je beeldend werkt, kan je in één of twee plaatjes een hele situatie weergeven.’

Praktische overwegingen spelen echter ook een rol, erkent Marc. ‘Het duurt een volle week om één pagina te tekenen. Je hebt tekenaars die sneller zijn, maar je hebt gewoonweg niet 300 pagina’s de ruimte om dingen uit te beelden.’ Het medium dwingt tekenaars om heel doordacht te werk te gaan. Zo wordt een zwakte omgezet in een sterkte.

Een middeleeuwer met een bril

Hoe doordacht makers ook te werk gaan, onvermijdelijk sluipen er kleine fouten in een historisch stripboek. ‘Er is altijd wel iemand die opmerkt dat iets fout is,’ vertelt Marc. ‘Over elke steensoort, dakpannetje of kledingstuk kan worden gediscussieerd.’ Bij het maken van een historische strip consulteert Marc daarom telkens een aantal experts. Hij noemt hen zijn ‘historisch geweten’.

Maar uiteindelijk zijn kleine historische onjuistheden niet de grootste zorg van Marc. ‘Als je alles helemaal correct wil doen, gaat dat soms ten koste van het verhaal.’ Zo vertelt Marc dat hij een middeleeuws personage wel eens een bril heeft gegeven om hem herkenbaarder te maken.

Pagina uit De Bergenvaarders

Avontuur en humor

Marcs meest recente historische stripproject heet ‘De Bergenvaarders’. In september verscheen het eerste deel van de stripserie. Daarin komen Hille en Thomas, twee weeskinderen, als verstekelingen aan in het Deventer van 1370, toen een rijke Hanzestad. Volgens Marc, die zelf in Deventer woont, is deze lokale geschiedenis onderbelicht. Met dit stripproject wil hij daar graag verandering in brengen.

Hoewel Marc hoopt dat de lezers van De Bergenvaarders iets leren over de geschiedenis van Deventer, is dat niet de leidraad. ‘Het is belangrijk om je publiek serieus te nemen. Dat doe je allereerst door hen een leuk verhaal te vertellen. Idealiter zit daar zowel wat avontuur als humor in.’ Wanneer je het verhaal ondergeschikt maakt aan het educatieve aspect, loop je het risico dat je een opsomming van feiten krijgt, stelt Marc. ‘Dat leest niemand graag.’

Breed eigenaarschap

Bij het project zijn ook anderen betrokken. Marc werkt onder andere samen met de gemeente Deventer en de dienst archeologie. De strip zal dan ook niet het enige eindproduct zijn, vertelt Marc. ‘Er komt ook een expositie verspreid over vijftien locaties in de stad. Op elke locatie zullen archeologische vondsten tentoongesteld worden, vergezeld door cardboard stripfiguren uit De Bergenvaarders.’

Volgens Marc is dat waar publieksgeschiedenis om draait: mensen met een interesse in geschiedenis met elkaar in contact brengen. ‘Door samenwerkingsprojecten tussen historici, gemeentes, musea en scholen, ontstaat er een breder eigenaarschap,’ concludeert Marc. ‘Mensen voelen zich verbonden met elkaar én met de mensen uit het verleden.’

Eerder in deze serie over publieksgeschiedenis interviewden we historische podcastmakers Tim en Paul.