Michiel de Ruyter en de kunst van het vergeten

Met De Ruyters Tocht naar Chatham herdenken we als Nederlanders wie we nu zouden willen zijn, niet wie we toen waren. Maar hoe we met ons verleden omgaan, zegt pas echt wat over wie we zijn.

Deze dagen staan in het teken van herdenkingen van de Tocht naar Chatham, want het is 350 jaar geleden dat de Nederlandse vloot tijdens de Tweede Nederlands-Engelse Oorlog de Engelsen een maritiem lesje leerde. Het was een historische gebeurtenis: niemand had verwacht dat het mogelijk zou zijn met een Nederlandse vloot via de Theems de Engelsen te verslaan. Het was de beslissende gebeurtenis die tot de Vrede van Breda leidde.

Dat er zeiltochten naar Chatham, tentoonstellingen, symposia en congressen worden georganiseerd om deze gebeurtenis te vieren, is gezien de Nederlandse liefde voor de ‘Gouden Eeuw’ niet vreemd. De tocht bevat allerlei ingrediënten die de nationale trots verder aanwakkeren, zoals een klinkende overwinning op de vijand en een maritiem spektakel. Dit alles gebeurde onder leiding van de nationale zeeheld die van eenvoudige scheepsjongen opklom tot admiraal: Michiel de Ruyter.

Het verbranden van de Engelse vloot bij Chatham, juni 1667, tijdens de Tweede Engelse Zeeoorlog (1665-1667), Willem Schellinks, 1667 – 1678 (Rijksmuseum SK-A-1393)

Voor zijn status als nationale held maakt het weinig uit dat De Ruyter tijdens cruciale momenten zich ver van het heetst van de strijd bevond. Hoewel veel historici aangeven dat hij op het beslissende moment ziek was, meent historicus Luc Panhuysen dat De Ruyter simpelweg niet geloofde dat een overwinning mogelijk was. Hij hield zich afzijdig terwijl onder leiding van Cornelis de Witt enkele schepen doorvoeren, en de ketting over de Medway verbraken. Pas nadat de Engelse schepen die bij Chatham lagen in brand waren gestoken, voegde De Ruyter zich bij de voorhoede—een weinig heroïsche deelname aan de strijd.

Historische congressen kunnen dit mooi in context plaatsen. De nadruk van het programma van een groot congres in dat eind juni in Amsterdam zal plaatsvinden, ligt bijvoorbeeld niet op de rol van De Ruyter zelf. Ook het aangekondigde symposium van het Rijksmuseum kijkt vooral naar de receptie van de Tocht naar Chatham in de zeventiende eeuw zelf, en de manier waarop de gebeurtenis later werd herdacht. Maar waarom houdt de heldhaftige reputatie van De Ruyter nu nog steeds zo hardnekkig stand?

Een film als Michiel de Ruyter (2015) heeft wat dit betreft een veel grotere rol dan congressen die—al staan ze open voor liefhebbers—door een relatief kleine groep mensen wordt bezocht. Deze film houdt het beeld van een dappere admiraal kritiekloos in stand. In de biografie op het scherm ontbreekt bijvoorbeeld De Ruyters herovering van Nederlandse slavenforten die door de Engelsen waren ingenomen, zoals actiegroepen als Michiel de Rover al in een vroeg stadium naar voren brachten. Ook historicus Alex van Stipriaan betoogde dat Michiel de Ruyter niet los te zien is van de slavenhandel. Tegen deze link met de slavenhandel bracht De Ruyter-historicus Ronald Prud’homme van Reine in dat De Ruyter niet echt invloed had op de slavenhandel: als hij de forten in 1665 niet van de Engelsen had heroverd, zou de handel wel door de Engelsen zijn voortgezet.

Afbeelding: De Ruyter staat in Vlissingen nog op zijn voetstuk. (foto: Wikimedia, Bayke de Vries CC BY-SA 3.0 NL)

Juist de Tocht naar Chatham laat zien hoe vreemd deze laatste redenatie is. Immers, als deze tocht een Engelse overwinning had opgeleverd, had dit serieuze consequenties gehad voor de positie van de Nederlandse Republiek. De afspraken die bij de Vrede van Breda werden gemaakt, waren vanwege het succes van de Tocht naar Chatham vooral gunstig voor de Nederlanders. Op een vergelijkbare wijze had de verovering van de forten—en daarmee het veiligstellen van de Nederlandse positie aan de Afrikaanse kust—een gunstige uitwerking op de Nederlandse Republiek, want het hield slavenhandel in Nederlandse handen en stimuleerde daarmee de Nederlandse economie en internationale machtspositie. Tussen de verovering door De Ruyter in 1665 en het eind van de slavenhandel scheepten Nederlanders meer dan een half miljoen tot slaaf gemaakte Afrikanen in om in Amerika te verkopen. Maar een dergelijke verovering, waar De Ruyter actiever betrokken bij was dan bij die slag op de Medway, wordt liever vergeten.

Wat betreft De Ruyters rol in de slavenhandel wordt er ook vaak op gewezen dat slavernij nou eenmaal een geaccepteerde praktijk was in de zeventiende eeuw. Bovendien voer hij naar Afrika in opdracht van de Staten Generaal—wat impliceert dat hij hier zelf weinig keus in had. Ook hier laat de Tocht naar Chatham zien hoe vreemd die redenatie is: daar voer De Ruyter immers ook in opdracht van de Staten Generaal. Hij maakte hier niet zelf de strategische beslissing over het doelwit. Kan het feit dat De Ruyter niet betrokken was bij de besluitvorming hem in het geval van de slavenforten wel witwassen, terwijl hij in het geval van Chatham desondanks de eer krijgt?

De Ruyters verovering van de slavenforten levert natuurlijk geen heroïsch plaatje op, en in een film die De Ruyter viert is het voor filmmakers dus handiger deze gebeurtenis te vergeten. Daarmee wordt onze blik op De Ruyter en de Tocht naar Chatham beïnvloed door wat het Nederlandse publiek graag wil zien. Het is een onderdeel van het nationale cherry picking in de geschiedenis: het beeld dat we nu hebben, gaat om wie we zouden willen zijn (geweest), niet om wie we daadwerkelijk waren.

Als historici zouden we helden als De Ruyter juist moeten gebruiken om die andere kant van het verhaal een onderdeel van onze nationale geschiedenis te maken. Het is een onderdeel waar we niet trots op kunnen zijn, maar juist de manier waarop we omgaan met dit verleden zegt pas daadwerkelijk wat over wie we momenteel zijn. Laten we wat dat betreft een voorbeeld nemen aan de Engelsen, die momenteel ook de Tocht naar Chatham met symposia en herdenkingen markeren—ook al waren zij de verliezers.

Suze Zijlstra is universitair docent maritieme geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Haar onderzoek richt zich op kolonisatie in zeventiende-eeuws Amerika, met speciale aandacht voor de ontwikkeling van Suriname en Nieuw-Nederland/New York.