‘Nederlands leed’ telt niet meer dan het leed van anderen

Aandacht voor Nederlandse slachtoffers in de dekolonisatieoorlog met Indonesië tussen 1945 en 1949 is ruimschoots voldoende. Micha’el Lentze meet zich volgens historicus Klaas Stutje ten onrechte een underdog positie aan.

Telt Nederlands leed in Nederlands-Indië? Die vraag stelde Micha’el Lentze afgelopen woensdag in een opiniebijdrage in de Volkskrant (O&D, 13 februari). Volgens Lentze past het grote Indonesië-onderzoek dat op dit moment op drie wetenschappelijke instituten plaatsvindt in een activistische trend waarin wordt afgerekend met het ‘foute’ Nederlandse verleden en Indonesisch leed breed wordt uitgemeten. In deze trend, klaagt Lentze, is er geen ruimte voor Nederlandse slachtoffers. ‘Het echte verhaal van Indisch Nederland mag niet worden verteld en wordt langzaam in de doofpot gestopt.’

Lentze overdrijft en is de zoveelste die op een nationaal podium beweert dat hij ‘het echte verhaal’ niet mag vertellen. Eerder klaagde Kester Freriks in de NRC (5 oktober 2018) dat het ‘intussen verboden was’ om te zeggen dat het leven in de archipel een gelukkige tijd was. De angst voor een geschiedenispolitie en de Indische doofpot is echter strijdig met het ruime assortiment aan recente boeken over positieve herinneringen en pijnlijke geschiedenissen uit Nederlands-Indië. Aandacht voor Nederlands of Indonesisch leed is natuurlijk onmogelijk te becijferen, maar de disbalans valt eerder in het voordeel van beide heren uit.

Eerst de kille cijfers. In de periode 1945-1949 zijn er door Indonesische geweld 4751 militairen aan Nederlandse zijde (Nederlanders én Indonesiërs) omgekomen en tussen de 5000 en 30.000 burgers: (Indo-)Europeanen, Chinezen en Indonesische ‘collaborateurs’. Voor het aantal Indonesische burgers en militairen dat door direct wapengeweld door troepen onder Nederlandse vlag omkwam wordt een absolute ondergrens van 97.421 gehandhaafd. Hierin zijn slachtoffers ten gevolge van honger, ziekte en onderling Indonesisch geweld niet meegenomen.

Deze ongelijke verhoudingen, die we ook op andere manieren zichtbaar kunnen maken, zien we niet terug in de Nederlandse herinneringscultuur.

Nederland kent ruim 80 monumenten voor Nederlandse burgers en militairen die in Indië omkwamen, tijdens de Tweede Wereldoorlog alsook in de periode 1945-1962. De voornaamste zijn het Indisch Monument, het Nationaal Indië-monument 1945-1962 en het Nationaal Monument op de Dam. Jaarlijks vinden hier herdenkingen plaats, in bijzijn van hoge regeringsvertegenwoordigers, met militair vertoon en uitgezonden op de nationale televisie. Geen van de 80 monumenten herdenkt slachtoffers aan Indonesische zijde.

Nationaal Indië-monument 1945-1962 in Roermond, Havang(nl) (CC0 1.0)

Er zijn in Nederland verschillende musea die in een vaste tentoonstelling aandacht besteden aan de geschiedenis van oorlog, verzet en leed in Nederlands-Indië, zoals Museum Bronbeek, het Indisch Herinneringscentrum en het Verzetsmuseum. Hierin komt de bezoeker veel te weten over Japanse gevangenkampen, dwangarbeid van Nederlandse krijgsgevangenen en de geschiedenis van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Er bestaat daarentegen geen enkel museum waarin Nederlands kolonialisme en de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesiërs centraal staat.

Ook in de academische wereld is er geen sprake van een eenzijdige aandacht voor Indonesisch leed. Niet alleen bestaan er wel degelijk studies over de bersiap-periode (zie bijvoorbeeld het werk van Mary van Delden), ook zijn er binnen het door Lentze zo verfoeide onderzoeksprogramma drie onderzoekers aangesteld die zich volledig gaan richten op de bersiap.

Het is eerder opmerkelijk dat het anti-Nederlandse geweld zo’n prominente plaats krijgt in een onderzoeksproject dat juist gestart werd naar aanleiding van maatschappelijke onrust over Néderlandse oorlogsmisdaden. Kennelijk is de politiek-maatschappelijke druk nog altijd groot – vroeger door veteranengroepen, nu door clubjes als die van Lentze – om eerst Nederlands leed te erkennen vóórdat we kunnen praten over negatieve aspecten van het koloniale verleden. Geen wonder dat in het openbreken van het historische debat over ons koloniale verleden buitenlandse historici als Rémy Limpach en advocaten als Liesbeth Zegveld het voortouw nemen.

Lentze en de ‘federatie’ die hij zegt te vertegenwoordigen plaatsen zich kortom onterecht in de underdogpositie en passen zelf in een trend: een nationalistische verkramping als het over ons koloniale verleden gaat. Daarin telt Nederlands leed kennelijk meer dan het leed van anderen.

Klaas Stutje is historicus aan de UvA en het IISG, en niet verbonden aan het grote Indonesië-onderzoek.