Oliebedrijven en alternatieve energie: een decennia oude combinatie?

In de jaren negentig subsidieerden oliebedrijven op grote schaal misleidende wetenschap, misinformatie en de lobby tegen milieumaatregelen. Ook vandaag de dag worden ze gezien als de grootste dwarsliggers in de energietransitie. Toch speelden deze bedrijven en verschillende oliebestuurders in de jaren ’70 een belangwekkende rol in milieubewegingen en investeringen in alternatieve energiebronnen. Wat ging er mis?

Bosbranden, overstromingen, droogte en hongersnoden. Na een heftige klimaatzomer besteedde Nieuwsuur afgelopen september uitgebreid aandacht aan een klimaatrapport van een Tweede Kamercommissie uit 1996.[1] Vijfentwintig jaar na dato wordt door toenmalig betrokken Kamerleden gesteld dat er te weinig is gedaan met hun aanbevelingen. Grootschalige investeringen in alternatieve energiebronnen, zoals wind-, zonne- en kernenergie bleven achterwege, terwijl de uitstoot van broeikasgassen in Nederland alleen maar toenam. Zelfs met het ondertekenen van de klimaatakkoorden van Parijs in 2015 en de eigen Nederlandse energie- en klimaatakkoorden in 2013 en 2017 doet Nederland nog te weinig om op tijd over te schakelen naar alternatieve energiebronnen.

De Nieuwsuuruitzending maakte duidelijk dat de klimaatdiscussie over de energietransitie van vandaag de dag historische wortels heeft. Echter, deze wortels reiken dieper dan we denken. Ze gaan niet terug tot de Klimaatakkoorden van Parijs uit 2015 en zelfs niet tot de Nederlandse discussies in 1996. Al in de jaren 1960 en 1970 werd wereldwijd gediscussieerd over milieueffecten en uitputting van fossiele grondstoffen. Het beroemde rapport van de Club van Rome liet in 1972 al zien dat er grenzen aan de groei waren. De toenmalige minister-president van Nederland, Barend Biesheuvel, stelde dat hij “zelf was opgevoed met het geloof dat de schepping oneindig is. Het was nooit bij me opgekomen dat die oneindigheid wel eens niet waar zou kunnen zijn.” Het rapport maakte “de eindigheid van voorraden duidelijk, en belangrijker nog, de eindigheid van het menselijk vernuft.”[2]

Koningin Juliana opent in Rotterdam de tentoonstelling Begrens de groei van de Stichting Club van Rome. (Fotograaf Onbekend / Anefo, Nationaal archief, CCO)

Ook de gevolgen van CO2-uitstoten waren al langer bekend laten Naomi Oreskes en Erik Conway zien in hun boek Merchants of Doubt (2010).[3] Reeds in de jaren 1960 waarschuwden Amerikaanse wetenschappers dat de uitstoot van broeikasgassen een groot probleem zou kunnen worden voor de leefbaarheid op aarde. In de jaren 1970 stond klimaatverandering al op de politieke agenda, onder andere door langdurige droogte in Afrikaanse landen onder de Sahel en de Sovjet-Unie, met hongersnoden tot gevolg. In een onderzoeksrapport voor de Amerikaanse regering uit 1977 koppelden vooraanstaande wetenschappers deze droogte nadrukkelijk aan de toename van CO2 in de atmosfeer.

Het bleef echter niet bij waarschuwende wetenschappers, rapporten en mogelijke schaarste. In de jaren zeventig werd ook al op grote schaal geïnvesteerd in de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen, uiteenlopend van geothermie en zonne-energie tot biobrandstoffen en kernenergie. De betrokkenheid van bijna alle grote oliebedrijven in deze ontwikkeling is opvallend. Oliebedrijven investeerden in hernieuwbare energiebronnen en directeuren uit de oliesector waren betrokken bij verschillende milieuorganisaties en initiatieven. Zo sponsorde een aantal het Grenzen aan Groei-rapport van de Club van Rome en investeerde daarnaast in andere onderzoeken die aan de basis stonden van nieuwe milieuwet- en regelgeving.

Met het project “Managing Scarcity and Sustainability: The Oil Industry, Environmentalism, and Alternative Energy in the Age of Scarcity” volgen wij aan de Universiteit Maastricht hoe oliebedrijven en -bestuurders reageerden op de debatten over grenzen aan groei en grondstofschaarste en hoe zij deze debatten mede vormgaven. Zo zorgde Robert Anderson, oprichter van het oliebedrijf ARCO, voor zaaifinanciering voor Friends of the Earth en de International Institute for Environment and Development. Ook was hij bestuurslid van het WWF. In 1972 creëerde een goede vriend van Anderson, Maurice Strong, die op vijfendertigjarige leeftijd bestuurder was van een grote Canadese oliemaatschappij, het VN Environment Program en zat de eerste milieuconferentie van die organisatie voor. Anderson was zelfs lid van de Club van Rome en sponsorde, net als medebestuurders uit de olie- en gaswereld zoals George Mitchell (geprezen als pionier van de “fracking” techniek in de oliesector), het Grenzen aan Groei rapport in 1972.

Robert Orville Anderson (Fotograaf onbekend. Via Wikimedia Common)

Daarnaast was de invloed van de verschillende oliebedrijven groot in uiteenlopende alternatieve energiesectoren. Sinds de Tweede Wereldoorlog spelen oliebedrijven bijvoorbeeld al een belangrijke rol in de ontwikkeling van kernenergie. Zo werkte Eger Murphree van Standard Oil of New Jersey (nu Exxon) aan de gascentrifugetechniek voor het verrijken van uranium tijdens het Manhattan Project, had de directeur van de kernreactor in Dodewaard in de jaren tachtig een lange carrière bij Shell als seismoloog in Afrika achter de rug en bezaten oliebedrijven Exxon, Mobil en Gulf Oil grote hoeveelheden van de Amerikaanse uraniumvoorraad. Ook in de grootschalige ontwikkeling van andere alternatieve energiebronnen, zoals zonne-energie, deden bedrijven als BP, Shell, Exxon en Schlumberger in de jaren zeventig grote investeringen.

Deze betrokkenheid vanuit de oliesector staat op gespannen voet met ons beeld van oliebedrijven als investeerders in klimaatverandering-ontkennende wetenschappers en lobbyisten voor meer investeringen in fossiele energie. Oreskes en Conway laten duidelijk zien dat zeker in de jaren negentig oliebedrijven de spil waren achter veel vertragingen in de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen en twijfels zaaiden over de klimaatwetenschap. Een beeld dat nogmaals werd bevestigd in het, deels journalistieke, onderzoek voorafgaand aan de rechtszaak tegen Shell in Nederland. Echter, hoewel deze oliebedrijven in de jaren negentig actief zouden gaan investeren in misleidende wetenschap, misinformatie en de lobby tegen milieumaatregelen, leken ze eerder, althans gedeeltelijk, de menselijke impact op klimaatverandering te erkennen.

Uraniumverwerkingsfabriek van oliebedrijf Kerr McGee (Via Wikimedia Commons).

Met ons onderzoek laten wij zien dat tijdens de decennia durende debatten over klimaatverandering, grondstofschaarste en alternatieve energiebronnen verschillende deelnemers aan deze debatten uiteenlopende rollen hebben vervuld. Daarmee is de oliesector niet alleen maar een tegenstander geweest in een energietransitie, maar was er ook een specifieke periode in de jaren zeventig waarin dezelfde bedrijven zeer actief probeerden bij te dragen aan de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen. In de jaren tachtig kozen zij er echter voor zich te distantiëren van deze debatten en energiebronnen, om vervolgens in de jaren negentig te kiezen voor investeringen in klimaatontkenning en “greenwashing”. Wat ging er mis? We hopen er in de komende jaren achter te komen.

Michiel Bron is promovendus aan de Universiteit van Maastricht. Daar doet hij, als onderdeel van het “Managing Scarcity” project, onderzoek naar de betrokkenheid van de oliesector in de ontwikkeling van kernenergie tussen 1945 en 1986.

Het project “Managing Scarcity and Sustainability: The Oil Industry, Environmentalism, and Alternative Energy in the Age of Scarcity” aan de Universiteit van Maastricht wordt gefinancierd door een NWO VICI beurs (VI.C.191.067) en staat onder leiding van prof.dr. Cyrus Mody (PI). Dr. Odinn Melsted (postdoc), Jelena Stankovic (PhD olie en zonne-energie) en Michiel Bron (PhD olie en kernenergie) completeren het project.

[1] https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2397480-nederland-moet-zich-schamen-25-jaar-na-eerste-klimaatonderzoek

[2] Quote zoals weergegeven in Peters, P., ‘De toekomst volgens de Club van Rome’, Kronieken van Duurzaam Nederland: Houdbare Economie (NCDO 1997), 25.

[3] Oreskes, N. & E.M. Conway, ‘The Denial of Global Warming’, in N. Oreskes & E.M. Conway, Merchants of Doubt: How a Handful of Scientists Obscured the Truth on Issues from Tobacco Smoke to Global Warming (New York: Bloomsbury Press, 2010), 169-215.