Onbekende slavernijverhalen achter bekende Rembrandts

Historicus Mark Ponte doet onderzoek naar afro-Amsterdammers in de zeventiende eeuw en gebruikt daarbij vaak het werk van Rembrandt ter illustratie. Bij de schilderijen en tekeningen van de zeventiende-eeuwse meester zijn verhalen te vertellen die raken aan de geschiedenis van slavernij en kolonialisme.

We kennen Rembrandt vooral van werken als de Nachtwacht en de Joodse bruid, maar hij schilderde en tekende in de loop van zijn carrière ook diverse zwarte vrouwen en mannen. Dat kon hij op zijn meesterlijke wijze doen omdat hij in een multiculturele zeventiende-eeuwse stadswijk woonde: de wijk rondom de huidige Jodenbreestraat waar ook tientallen mensen van Afrikaanse afkomst woonden. Mensen die hij op straat tegenkwam en kon uitnodigen in zijn atelier.

Twee Moren’, Rembrandt van Rijn, 1661, Collectie Mauritshuis

Het hoogtepunt van Rembrandts ‘zwarte’ oeuvre vormt natuurlijk het schilderij dat nu – toepasselijk genoeg – in het Mauritshuis in Den Haag hangt. Toepasselijk omdat net als Maurits de meeste Afrikanen die in Rembrandts omgeving woonden een geschiedenis hadden in Nederlands-Brazilië, zij het op heel andere trede van de maatschappelijke ladder. Niet alleen namen allerlei teruggekeerde kolonisten tot slaaf gemaakte mannen en vrouwen als bedienden mee naar Amsterdam, ook vestigden zich hier een groep zwarte zeemannen en soldaten. Mannen die veelal in dienst waren geweest van de West-Indische Compagnie. Sommige van deze zeelui kenden de hele Atlantische Wereld, van Angola, Brazilië, het Caribisch gebied tot Nieuw-Amsterdam, het huidige New York.

Jan Six’, Rembrandt van Rijn, 1654, olieverf op doek – Collectie Six

Maar niet alleen bij schilderijen met zwarte actoren kan je een verhaal vertellen over slavernij en aanverwante thema’s. Ook andere Rembrandts lenen zich daar prima voor. Wie de afgelopen twee jaar wel eens een boekwinkel heeft bezocht, kent ongetwijfeld dit portret van Jan Six uit 1654, dat prominent op de voorkant staat van het populaire boek van Geert Mak. Of Six iets met de VOC of WIC te maken had weet ik niet, het zou natuurlijk goed kunnen dat hij aandelen in die richting had. We weten heel weinig over wat specifieke Amsterdammers nou eigenlijk meemaakten als ze op straat kwamen, laat staan hoe vaak iemand als Jan Six een zwarte Amsterdammer tegenkwam. Had hij vrienden met zwarte bedienden in huis?

Er is tenminste één belangrijk moment geweest waarop in de bronnen het leven van Jan Six dat van een jonge zwarte jongen kruiste. Op vrijdag 10 februari 1668 werd in de Oude Kerk in het in het bijzijn van zijn burgemeester Nicolaas Tulp, Jans zoon Jan gedoopt, door Geert Mak ‘de tweede Jan’ genoemd. Zowel vader Jan Six als grootvader Nicolaas Tulp werden geschilderd door Rembrandt, moeder Margareta Tulp door Govert Flinck. Een chique doop dus, van een telg uit de hoogste regionen van de Amsterdamse patriciërsklasse.

Op diezelfde dag werden er nog drie andere kinderen gedoopt, die helemaal niet tot de bovenlaag hoorden. Na Jan werden de meisjes Maria en Hester gedoopt. De laatste die die dag gedoopt werd was Dominicus: “Een swart out omtrent 10 a 12 jaar”, die bij Claes Philipsoon op de Oude Waal woonde. Ik stel me zo voor dat Dominicus op een afstandje zat te kijken hoe de baby’s Jan, Maria en Hester gedoopt werden, alvorens hijzelf aan de beurt was.

Ook bij de portretten van Marten en Oopjen, de andere twee Rembrandts, die de afgelopen jaren veel aandacht hebben gehad, kan je verschillende verhalen vertellen die raken aan de geschiedenis van slavernij. Marten Soolmans was de zoon van een rijke suikerhandelaar en raffinadeur die zich na de val van Antwerpen in Amsterdam had gevestigd. De relatie suiker en slavernij hoef ik hier verder niet uit te leggen. Na het overlijden van Soolmans hertrouwde Oopjen Coppit met WIC-kapitein en Brazilië veteraan Maarten Daey.

Marten Soolmans en Oopjen Coppit’, Rembrandt van Rijn, 1634, olieverf op doek – Rijksmuseum/Louvre

Bij toeval kwam ik Maarten Daey vorig jaar tegen in een journaal van de Hervormde kerk in Nederlands-Brazilië. Daarin is het aangrijpende verhaal opgetekend van de zwarte vrouw Francesca. Francesca was, zo lezen we, gevangen genomen en opgesloten in het huis van kapitein Daey. Daar wordt zij door Daey verkracht. Wanneer blijkt dat zij zwanger is, stuurt Daey Francesca zijn huis uit, omdat hij niets met het kind te maken wilde hebben. Zou zijn zoon Hendrick Daey, die later eigenaar was van deze twee schilderijen, geweten hebben van zijn bijna twintig jaar oudere Braziliaanse halfzus Elunam?

Zouden we in de geschiedenis niet veel meer aandacht moeten hebben voor de verhalen van zulke gewone mensen?

Rembrandt had trouwens in zijn atelier een naar het leven gegoten buste van een Afrikaanse man staan. Geen idee waar die buste gebleven is, maar zou het niet prachtig zijn als deze buste net zo’n prominente plek in een museum krijgt, als Maurits tot voor kort genoot?

Dit artikel is een bewerking van een column voorgedragen op donderdag 18 januari in Spui25, een academisch-cultureel podium van de Universiteit van Amsterdam aan het Spui, tijdens een programma over slavernij in de vroegmoderne kunsten. Dit programma werd georganiseerd door de Werkgroep 18e Eeuw.

Mark Ponte is historicus en werkt bij het Stadsarchief Amsterdam. Naast zijn werkzaamheden bij het archief doet hij onderzoek naar vrije en onvrije Afrikanen in zeventiende-eeuws Amsterdam en naar de betrokkenheid van Amsterdammers bij slavenhandel en slavernij. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel. Je kan hem vinden op Twitter en op Academia.edu.