Ook in de zeventiende eeuw werd het debat over kolonialisme gesmoord

Vaak wordt gesteld dat koloniaal geweld en slavenhandel pas ter discussie kwamen te staan vanaf de achttiende eeuw. Niets is minder waar, stelt Marrigje Paijmans: ook in de zeventiende eeuw was hier genoeg ophef over. Maar deze kritische geluiden werden gemarginaliseerd – net zoals dat nu gebeurt.

De inwoners van de zeventiende-eeuwse Republiek leefden in een ‘vreemd land met heel andere opvattingen over goed en kwaad dan wij er nu op na houden in het hedendaagse Nederland’, aldus historicus Piet Emmer. Om die reden zijn ‘onze huidige morele maatstaven’ ontoereikend voor begripsvorming van zeventiende-eeuwse koloniale praktijken en slavernij. Vergelijkbare uitspraken zijn gedaan door Frank Ankersmit en Martin Sommer. In de zeventiende eeuw, zo stelt Emmer in de Johan de Wittlezing 2017, waren mensenlevens – zwart of wit – minder waard en dwangarbeid was zowel in Europa als in de koloniën aan de orde van de dag. Pas na het midden van de achttiende eeuw, ‘een enkele uitzondering daargelaten’, kwam er kritiek op de slavenhandel en slavernij, ‘zij het nog heel aarzelend’. Ook de historische en letterkundige standaardwerken situeren de opkomst van deze kritiek gewoonlijk in de achttiende eeuw.

Afbeelding 1: Peter Paul Rubens, Vier studies van het hoofd van een zwarte man, ca. 1613-1615, Olie op doek, Museum voor Schone Kunsten, Brussel (via Wikimedia Commons).

Toch woedde er in de zeventiende-eeuwse Republiek al een ethisch debat over slavernij en koloniaal geweld. Er zijn talloze voorbeelden van teksten waarin expliciet kritiek wordt geuit. Die kritiek is gebaseerd op eigentijdse ethische denkkaders zoals het christendom, humanisme en het natuurrecht. Bovendien verwijzen de Nederlandse auteurs naar Europese voorbeelden als Montaigne en Las Casas, die de gruwelen van het Franse en het Spaanse kolonialisme al eerder aan de kaak hadden gesteld. De Nederlandse auteurs haakten dus aan bij een breder, Europees debat.

Waarom is dit debat niet eerder gesignaleerd? De eerste reden is dat het zeventiende-eeuwse koloniale discours werd overheerst door de handelsondernemingen en aandeelhouders. Afwijkende meningen of twijfels werden meestal verhuld of marginaal weergegeven. Vooral literaire teksten leenden zich daarvoor, wegens tradities van dichterlijke vrijheid en gelaagdheid. Zo besteedt Joost van den Vondel middenin Lof der Zeevaart (1623) ook enige woorden aan de schaduwzijden van de handel:

Bezoek vrijmoedig de ver gelegen oorden,
Maar wees oprecht in de handel, en in woorden,
Besmet niet met geweld het christelijk geloof,
En mest uzelf niet vet met roof,
Maar mik op het juiste doel. (417-421)

Afbeelding 2: Titelblad van Franciscus van den Endens Kort verhaal van Nieuw Nederland (1662). De tekst verscheen anoniem, vermoedelijk omdat deze spinozistische denkbeelden bevatte.

De kritiek op ‘geweld’ en ‘roof’ is verhuld weergegeven, maar een jaar na de Bandanese volkerenmoord onder leiding van Coen was het eigentijdse lezers volkomen duidelijk waar Vondel op doelde. Een ander voorbeeld is het voorstel voor een nederzetting in Noord-Amerika, gepubliceerd in 1662 door Franciscus van den Enden, politiek activist uit de kring van Spinoza. In dit Kort verhaal van Nieuw Nederland stelt Van den Enden dat het ‘strijdig is met alle menselijke billijk- en waardigheid om onschuldige mensen geldzuchtig te verhandelen en naar hun onverlosselijke slavernij te vervoeren’ (26). Duidelijke kritiek, zou je zeggen.

Toch doet zich bij de interpretatie van die kritiek een probleem voor. Zo heeft Marijke Spies in de gezaghebbende editie van Lof der zeevaart Vondels kritiek afgedaan als een strategische steunbetuiging aan een tegenstander van Coen, aan wie Vondel het gedicht had opgedragen. Ook stelt ze dat Vondel, door zijn bezwaren te uiten binnen een lofzang op de handel, deze bezwaren zelf onschadelijk maakt en dus eigenlijk bijdraagt aan het morele kader dat ‘Nederlanders meer dan anderhalve eeuw lang in staat zou stellen hun geweten schoon te houden onder het opstrijken van de aan Indië ontfutselde winsten’ (256). Dat ‘kan Vondel niet aangerekend worden,’ besluit ze. Dat is maar de vraag; hij geeft immers zelf blijk van de problematische aard van de ‘handel’. Het gaat erom dat we zijn kritiek serieus nemen. Op dezelfde manier zou Van den Endens kritiek kunnen worden afgedaan als een verwaarloosbare ‘uitzondering’ binnen een verder koloniale tekst. Maar dat is een zwaktebod.

De tweede reden voor het onzichtbaar blijven van zeventiende-eeuwse kritiek heeft te maken met het perspectief van de onderzoeker. In de Nederlandse academische discussie wordt dat perspectief sterk bepaald door de disciplinaire scheiding tussen Vroegmoderne letterkunde, die zeventiende-eeuwse teksten interpreteert in hun historische context, en Postkoloniale studies, die gespecialiseerd zijn in de analyse van kritiek op kolonialisme, maar die zich veelal richten op teksten van tijdens of na de dekolonisering. Gloria Wekker heeft hierover geschreven. De mensen die de zeventiende-eeuwse teksten kunnen lezen en begrijpen, zijn niet gespitst op kritiek, maar dat is wel nodig om de verhulde en gemarginaliseerde uitspraken van kritische auteurs te kunnen herkennen en serieus te nemen. Daarom is de inbreng van inzichten en methoden uit de Postkoloniale studies cruciaal.

Neem het voorbeeld van Vondel. Zijn kritiek is moeilijk los te zien van strategische belangen. Die ‘verwevenheid’ van kritiek noemt de postkoloniale denker Sara Ahmed ‘stickiness’. Alle kritiek is ‘sticky’, zegt ze, in de zin dat kritiek op de een of andere manier altijd medeplichtig is aan het systeem dat ze bekritiseert. Dit maakt kritiek kwetsbaar en gemakkelijk te verwerpen, maar eigenlijk betreft het dan een drogreden. Dat Vondel wellicht strategische bijbedoelingen had, doet niets af aan de inhoud van zijn kritiek. Dat is hetzelfde als een vegetariër op zijn leren schoenen wijzen. Ook in onze eigen tijd gaan kritiek en schijnbare onverschilligheid samen. We eten chocolade, terwijl we weten dat het zelden ‘slaafvrij’ wordt geproduceerd. We kopen kleren bij H&M, terwijl we bekend zijn met de abominabele arbeidsomstandigheden van de makers. We eten vlees, ondanks de alomtegenwoordigheid van beelden van de bio-industrie. Maar als toekomstige historici onze kritiek op slavernij, uitbuiting en mishandeling daarom niet in hun onderzoek zouden betrekken, zouden ze geen recht doen aan onze samenleving.

Het zeventiende-eeuwse debat over kolonialisme is dus onzichtbaar gebleven, omdat kritiek werd gemarginaliseerd – in de zeventiende eeuw en nu. Door inbreng van inzichten uit de Postkoloniale studies wordt zichtbaar hoe twijfels, afwijkende meningen en kritiek op kolonialisme en slavernij functioneerden in zeventiende-eeuwse literaire teksten in hun verwevenheid met zorgen van politieke, economische en religieuze aard. Ik beschouw deze teksten als uitingen van een gemarginaliseerd, maar vitaal debat, een debat dat deel uitmaakt van het Nederlandse koloniale verleden. Emmer en consorten waarschuwen tegen de inbreng van postkoloniale (want hedendaagse) inzichten in de studie van het ‘vreemde land’ van het verleden. Toch is het alleen door interdisciplinaire innovatie dat we nieuwe inzichten kunnen bereiken in het koloniale verleden. Ja, het verleden is ons vreemd, maar het is ons ook eigen. Er is moed voor nodig om te erkennen dat de daden van onze voorouders niet volstrekt onbegrijpelijk zijn. Om het ‘vreemde’ land in onszelf te verkennen.

Marrigje Paijmans is historisch letterkundige en filosoof aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt aan een onderzoeksproject getiteld Literary Unsettlements, over vroegmoderne Nederlandse kritieken op kolonialisme en slavernij.