De Nederlandse overheid ging ter voorbereiding op de uitbraak van een cholera-epidemie in 1831-1832 voortvarend aan de slag om de epidemie te weren. In deze aanpak liggen interessante handvatten besloten voor hoe de overheid zich kan voorbereiden op een nieuwe pandemie.
De parlementaire enquêtecommissie naar de aanpak van de coronacrisis is al een paar weken druk bezig met het verhoren van verschillende personen die een rol hebben gespeeld rondom de besluitvorming tijdens de coronapandemie. Uit de verklaringen van onder meer Jack Mikkers (burgermeester van ’s-Hertogenbosch) en voormalig Kamervoorzitter Khadija Arib blijkt dat de Nederlandse overheid onvoldoende voorbereid was op een pandemie. Zo verschilde de regionale overheid van inzicht met de landelijke en was er een tekort aan ic-bedden. Dat was ooit anders.
In de negentiende eeuw kreeg de wereld ook te maken met een pandemie. Een totaal nieuwe ziekte deed in 1817 zijn intrede op het wereldtoneel: de cholera. De ziekte was aanvankelijk een endemische ziekte in de Gangesdelta. Door reizende legers en handelaren verspreidde de ziekte zich over de wereld. Het zou tot 1830 duren voordat de ziekte, via Rusland, Europa zou bereiken. In Rusland kostte cholera ongeveer 190.000 mensen het leven en in Parijs stierven circa 19.000 mensen. Nederland verloor tijdens die epidemie 10.615 inwoners en ook in België kwamen er duizenden om. Tot aan het einde van de negentiende eeuw bleef cholera in Europa slachtoffers eisen. De cholera stond ook wel bekend als de “Blauwe Dood”. Een van de symptomen van de ziekte was het vele vochtverlies en de uitdroging die hierbij intrad zorgde voor een ingevallen, lijkbleek gezicht en een veranderende huidskleur waar deze bijnaam uit voortkwam. Het hele verloop van symptomen kon van begin tot eind slechts vijf tot twaalf uur duren, maar meestal betrof dit drie tot vier dagen. Het was juist dit enorm snelle verloop van de ziekte dat de Europeaan zo beangstigde. Deze angst zorgde er dan ook voor dat overheden wilde handelen.
Autocratische of liberale choleramaatregelen
De intrede van de ziekte in Europa leidde tot diverse reacties van Europese staten om de verspreiding een halt toe te roepen. De Duits-Amerikaanse medisch historicus Erwin Ackerknecht maakte in 1948 een onderscheid tussen hoe de verschillende Europese staten in de eerste helft van de negentiende eeuw reageerden op de cholera. De autocratisch geleide staten (Pruisen en Rusland) zagen cholera als een besmettelijke vijand. In een poging om deze vijand buiten de deur te houden zetten ze hun legers in om cordons sanitaires op te werpen. De Russische tsaar ging zelfs zo ver om het bevel te geven aan zijn militairen om iedere wagen of boot die het cordon verbrak neer te schieten. De liberalere Europese staten pakten het daarentegen anders aan. Zij zagen niks in een repressieve aanpak en probeerden de hygiënische omstandigheden te verbeteren. Hierbij was er meer aandacht voor de lokale leefomstandigheden van de arme bevolking, zoals de zuiverheid van drinkwater en het reinigen van straten. Frankrijk voerde in 1831-1832 in eerste instantie autocratische maatregelen tegen de ziekte, maar zou bij de volgende uitbraak van de ziekte in 1848 voor sanitaire maatregelen kiezen. De aandacht voor leefomstandigheden en hygiëne bleek de juiste te zijn, al kenden overheden noch de medische wereld lange tijd het oorzakelijk verband niet.

De Nederlandse overheid onder de leiding van de koning Willem I deed én-én. Willem I was dan wel een autocratisch vorst; hij zag zichzelf als een vader van de natie en wilde zijn volk beschermen. Al voordat de ziekte Nederland bereikte, op 17 juni 1831, stelde hij een speciale commissie aan om deze pandemische bedreiging te onderzoeken. Drie artsen vertrokken naar Duitsland om onderzoek te doen naar de cholera. Hier bezochten ze onder meer de steden Hamburg, Lunenburg en Berlijn. In april 1832 kwamen zij met een dik rapport terug.
De commissie adviseerde “om het ontstaan en de verbreiding” van de ziekte tegen te gaan en beschreven hoe men moest handelen als iemand toch ziek werd. Ze deden onder meer enkele hygiënevoorstellen en stelden voor om lokale choleracommissies te vormen die zich in de steden met de ziekte moesten bezighouden. De regering nam deze besluiten over en stelde daarnaast een cordon sanitaire in en quarantaine voor schepen om de ziekte zolang mogelijk tegen te houden. Je kon aan de Nederlands-Duitse grens alleen maar het land inkomen als je een “gezondheidspaspoort” had – een coronabewijs avant-la-lettre. Daarnaast besloot de overheid een grote informatiecampagne op te zetten. Het ministerie van Binnenlandse Zaken liet 9.500 exemplaren drukken van de adviezen die de onderzoekscommissie had gedaan. Deze exemplaren werden naar de provincies opgestuurd, waar de lokale bestuurders ze lieten verspreiden in plaatselijke herbergen en koffiehuizen om de Nederlandse bevolking in te lichten.
De maatregelen waren best effectief te noemen: terwijl de ziekte al woedde in onze buurlanden, bleef Nederland nog enige tijd gevrijwaard. Uiteindelijk zou de cholera zijn voet op Nederlandse bodem zetten door mee te varen met een Scheveningse vissersboot die de regels van het cordon sanitaire verbrak. Nog tweemaal zou de cholera als een epidemie in Nederland toeslaan (in 1848 en 1866), maar de maatregelen van 1832 zouden met het nodige lerend vermogen aan de basis liggen van het latere optreden van overheid en samenleving. Nederland was voorbereid.
Preventief handelen voor corona
Corona verspreidde zich weliswaar op een andere manier dan cholera, en door de globalisering wist corona nog sneller om zich heen te grijpen, maar toch kan er een vergelijking gemaakt worden. Na het eerst dodelijke coronaslachtoffer in Europa op 15 februari 2020 hadden de eerste alarmbellen moeten afgaan bij de overheid. Waar is dat misgegaan? In de negentiende was de samenleving nog gewend om met epidemieën om te gaan. Zo kampten delen van Nederland begin negentiende eeuw met malaria-uitbraken en ook tyfus en pokken behoorden tot de ziekten die regelmatig de kop op staken. Door alle kennis en technologie die zijn intrede heeft gedaan zijn we in staat geweest om sommige ziektes succesvol te bestrijden, maar hierdoor verloor overheid en samenleving kennis van hoe we voorheen om gingen met epidemieën. Hierdoor was Nederland in 1832 weerbaarder voor een epidemie dan in 2020.
Zo dachten Nederlanders in februari 2020 nog te kunnen gaan wintersporten en carnavallen, evenementen die bijdroegen aan de verspreiding van de ziekte. De overheid handelde in 1832 preventief en verbood juist de kermissen uit angst voor besmettingen. Een kleine twee eeuwen later kon de Nederlandse overheid in februari 2020 maatregelen treffen om de opmars van de ziekte te vertragen, maar in de huidige neoliberale samenleving neigt iedere inperking van beweging naar het zo ongewenste staatsinterventionisme. De eerste coronabesmetting vond op 27 februari plaats en het duurde tot 15 maart tot de Nederlandse overheid over ging tot een eerste maatregel, het sluiten van de horeca. De federale regering van België nam deze beslissing al drie dagen eerder en had al op 6 maart negatief reisadvies gegeven voor Italië. Pas na het nodige gedraal konden de eerste maatregelen genomen worden. Het is wellicht te extreem om te stellen dat de Nederlandse overheid al had moeten handelen toen het coronavirus in Wuhan uitbrak, maar zodra de ziekte in Europa zijn intrede deed had het al eerste maatregelen kunnen nemen: een OMT bijeenroepen, het controleren van terugkerende reizigers, en vooral zorgen voor voldoende zorgpersoneel en ziekenhuisbedden.
De coronapandemie zou ons moeten wakkerschudden uit deze neoliberale laissez-faire-houding. We worden nog steeds geconfronteerd met nieuwe pandemische dreigingen, of het nu het Hantavirus is of een nieuwe vorm van Ebola die in Afrika opduikt. In een geglobaliseerde wereld moet je als staat en samenleving de eerste klappen van zo’n ziekte kunnen opvangen. De Nederlandse regering was er in 1832 zo goed als ze kon klaar voor. De medische wereld had indertijd totaal geen idee hoe cholera precies werd veroorzaakt en kon niet voorkomen dat er meer dan tienduizend, vaak arme, mensen overleden. We zijn nu bezig met het weerbaar maken van staat en samenleving op defensiegebied. Laten we ons ook weerbaar maken voor een mogelijke nieuwe pandemie.
Mathijs van der Loo is als promovendus verbonden aan de Radboud Universiteit en doet onderzoek naar de Nederlandse liefdadigheidscultuur ten tijde van de cholera-epidemieën. Hij studeerde aan de Universiteit Leiden en de Universiteit Utrecht.