Pest en politie: De politiek van publieke gezondheid toen en nu

Publieke gezondheid en politiemacht zijn historisch altijd aan elkaar verbonden geweest. Tijdens eerdere pandemieën kwam er een sterkere controle op en stigmatisering van armere bevolkingsgroepen. Juist nu moet er daarom sprake zijn van georganiseerde kritiek, betogen Janna Coomans en Claire Weeda.

Je zou het een soort zeventiende-eeuwse traceerapp kunnen noemen. Alleen met een witte stok mochten pestlijders in 1602 de straat op. Dit was een gebruikelijke regeling in die tijd om verspreiding van de pest tegen te gaan. Dit keer nam de stad Utrecht echter nog rigoureuzere maatregelen. Ook degenen die van de pestbacterie hersteld waren, hun huisgenoten en iedereen die op bezoek was geweest, moesten voortaan zwaaiend met een witte stok over straat. De ziekenverzorgers mochten zich ook niet meer vrij bewegen. Zo breidde de politiecontrole zich steeds verder uit. Op overtreding stonden kleine of grotere geldboeten, geselen, verbanning of verbranding ‘mitten vure’.

Uit eerdere pandemieën kunnen we drie belangrijke conclusies trekken. Natuurlijk heeft de samenleving belang bij draagvlak voor de quarantainemaatregelen. Daarvoor is flexibiliteit nodig. We weten niet hoelang deze crisis duurt. Maar, en dit is de eerste conclusie, quarantaine gaat altijd over meer dan alleen ziekteverloop. Het gaat om controle en beperking van beweging: groepsveiligheid draait om de circulatie van goederen en mensen, en de gevaren die daarbij komen kijken, maar ook om het inzicht dat bij volledige stilstand een gemeenschap niet kan overleven.

Titelpagina van een Pest-boeck (Antwerpen, 1633) (publiek domein, Google Books)

Een aantal voorbeelden illustreren de diversiteit van historische reacties op epidemische uitbraken. Telkens geven ze ook aan dat interventies steeds nauw verbonden waren met controle en macht over het dagelijks reilen en zeilen van de bevolking. De verwoestende tweede pestpandemie (c. 1350-1750) kostte tientallen miljoenen mensen het leven in Azië, Noord-Afrika en Europa. De vele stadsordonnanties uit die tijd, zoals die van Leuven uit 1473, bepaalden dat huizen van pestzieken veertig dagen gesloten zouden blijven. Huisgenoten van zieken mochten veertien dagen niet de straat op gaan, naar de kerk of de markt. Het was verboden het water of afval van zieken langs de openbare weg of in grachten of rivieren te gooien, of besmette kleding daarin te wassen. Handel in laken en fruit werd aan banden gelegd. Vanaf de veertiende eeuw waren het vooral mannen, tevens belast met militaire taken in tijden van politieke spanningen, die deze gezondheidsmaatregelen moesten handhaven. Zoals de zogenaamde ‘coninc der ribauden’ in Gent. Ze traden als politie op rond voedselmarkten, maar ook tegen bedelaars, gokken of prostitutiebezoek. De ziekte werd ook moreel geduid. Net zoals de stad besmet is met een fysieke vervuiling, zo was ze ook besmet met een morele corruptie: een ondermijning van normen en waarden die waarde als een ziekte onder de bevolking.

De controle over de publieke ruimte reikte echter verder, en was continu in ontwikkeling – de tweede belangrijke conclusie. In reactie op de epidemie zochten overheden naar betere technieken om menselijk gedrag te registeren en controleren. In vijftiende-eeuws Italië ontstond een nauwkeurige administratie van zieken en ziekteverspreiding. De overheid inspecteerde mensen en goederen op grote schaal binnenshuis. Ze richtte zich vooral op de leefomstandigheden van armen. Wijken, straten en huizen werden in kaart gebracht om te noteren waar potentiële ziektehaarden lagen. En een sociale differentiatie tekende zich af. De rijken konden zich terugtrekken in hun ruime woningen en buitenhuizen. De pest als ziekte werd steeds meer geassocieerd met armoede. Bediendes en schoonmakers die wél moesten doorwerken tijdens de epidemie, werden soms gestigmatiseerd als ziekteverspreiders. Hun beddengoed werd verbrand als desinfectiemaatregel. Huizen werden soms afgebroken. Armen verloren zeggenschap over hun schamele bezit en privéruimtes.

Tussen de veertiende en zeventiende eeuw laaide de pest ongeveer elk decennium opnieuw op. De autoriteiten begrepen daarom, ten derde, dat er een groot draagvlak moest zijn voor de maatregelen die ze namen. Mensen gingen zich immers vervelen, raakten apathisch of de economische nood was hoog. In 1509 vaardigde het stadsbestuur van Leiden een noodverordening uit. In de lente waren de mensen eropuit getrokken en zonder ‘enige schaamte’ naar de markt gegaan, terwijl er een paar maanden eerder een pestepidemie woedde. Er was natuurlijk ook verzet. In 1519 kwam het stadsbestuur van Sint-Truiden in België met een noodmaatregel tegen lieden die gezondheidsmedewerkers aanvielen. Wie de cellebroeders – leken die voor de pestzieken en -lijken zorgden – mishandelde in woord of daad, of ’s nachts bij hen belletje trok, moest verplicht op bedevaart naar Santiago de Compostela. Om meer draagvlak te creëren, mochten ziekenverzorgers, dokteren die aderlieten en zelfs pestvroedvrouwen naar een speciale kapel om de mis te kunnen horen, zoals in Amsterdam en Deventer. Zieken die aan de beterende hand waren, konden in Leuven na veertien dagen ’s ochtends voor het luiden van de werkklok de straat op om te wandelen. Ze moesten wel uit de buurt van anderen blijven en pas ’s avonds weer naar huis keren. Mensen mochten, in kleine groepjes, aan lichaamsbeweging doen. In Maastricht en Arnhem hield men in de vijftiende eeuw danssessies om de weerstand te verhogen. Poëzie en wijn verzachtten het leed. Zulke speelruimte was nodig om vol te houden.

Ook vroeger speelde de politie een voorname rol bij de handhaving van de publieke gezondheid. De ordetroepen dankten daar zelfs mede hun ontstaan aan. Juist daarom is het cruciaal dat politiek, rechters en media nu alert blijven op de proportionaliteit van de quarantainemaatregelen. Wij weten immers niet welke tijdelijke maatregelen achteraf blijvend blijken te zijn, zoals de inzet van drones of het gebruik van traceerapps. Als burgers zullen wij de komende tijd sterk gecontroleerd worden. Meer dan ooit hebben we daarom nu goed functionerende democratische instellingen en een kritische pers nodig om onze controleurs te controleren. Daarnaast ligt het risico van sociale stigmatisering op de loer. In het verleden werden armere sociale groepen, met beperktere quarantaineopties, algauw geoormerkt als ziektedragers.

Het is een delicate balans, waarbij ook rekening gehouden werd met economische belangen van goederencirculatie en menselijke mobiliteit. De vraag: wat laat je wel ‘doorbewegen’ en wat niet, is een voortdurende zorg in alle tijden van epidemie. En daarbij zijn botsingen tussen overheden en burgers aan de orde van de dag. Er zal daarom steeds een context-gebonden evenwicht gezocht moeten worden, waarbij bescherming van vrijheden de norm blijft.

Janna Coomans en Claire Weeda zijn als historisch onderzoeker verbonden aan het ERC onderzoeksproject ‘Premodern Healthscaping’.

Een gedrukte versie van dit artikel verschijnt ook in het historisch tijdschrift Skript.