Van vrijheid voor joden tot onderdrukking op de plantages. Surinaamse geschiedenis door de ogen van de voorouders van Jörgen Raymann

Verborgen Verleden laat zien dat je aan de hand van persoonlijke verhalen zoals die van David Nassy ingewikkelde geschiedenis op een aangrijpende en begrijpelijke manier toegankelijk kan maken.

In het televisieprogramma Verborgen Verleden gaan bekende Nederlanders op zoek naar de geschiedenis van hun voorouders. Dit levert vaak mooie en ontroerende verhalen op over gewone mensen tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen in het verleden, zoals een soldaat in het leger van Napoleon of Ieren op de vlucht voor de hongersnood van 1845. Zo’n confrontatie met het vaak zware leven van voorouders kan een heftige ervaring zijn. Dat gold in het bijzonder voor de aflevering van Jörgen Raymann waaraan ik een bijdrage mocht leveren.

Jörgen Raymann leest de brief over zijn voorvader David Nassy (Bron: NTR)

Raymann stamt af van mensen uit vier continenten. Van tot slaaf gemaakte Afrikanen en van slavenhouders. In de laatste scène van het programma krijgt Jörgen, terwijl hij in het resort op de voormalige plantage Berg en Dal aan de Surinamerivier zit, een brief van mij met een aantal bijzondere documenten over zijn verre voorvader David Nassy. Documenten die een inkijk geven in de migratie van sefardische joden van Brazilië via Amsterdam naar Suriname.

David Nassy
David Nassy, die eerder plantage-eigenaar was in Nederlands-Brazilië, was de belangrijkste initiatiefnemer van de vestiging van sefardische joden in de Guyana’s. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Nassy dé (of een van de) founding fathers van Suriname was. Aanvankelijk vestigde de groep rond Nassy zich in Cayenne, in het huidige Frans-Guyana. Na de verovering van deze kolonie door de Fransen in 1664 vertrokken de joodse families naar Suriname. In deze toen nog Engelse maar vanaf 1667 Nederlandse kolonie groeide en bloeide de sefardische gemeenschap. Zij genoten een grote religieuze vrijheid, groter dan in Amsterdam. Maar de welvaart was grotendeels gebaseerd op de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. David Nassy en later zijn zoon Samuel Cohen Nassy stichtten niet alleen plantages, maar waren ook grootschalige importeurs van gevangen Afrikanen, zo blijkt uit een van de akten die Raymann ontving over het contract tot levering van ‘Een hondert veerthien stucx negros’ aan het ‘eijland Caiana’, dat Nassy tekende met de WIC op 25 september 1659.

Bruijn vrouwspersoon
De belangrijkste akte wat mij betreft is twee weken later opgesteld bij een Amsterdamse notaris. In deze akte verklaarde Nassy dat een ‘Debora sijnde een bruijn vrouwspersoon ofte mulata’ aan ‘niemants slavernije onderworpen’ is. Integendeel, zij is Nassy’s ‘huijse in vrijheijt geteelt & gebooren & als soodanigh oock opgevoet’. Hoewel het niet expliciet vermeld werd, wijst alles er op dat Debora een dochter van David Nassy is, verwekt bij een zwarte vrouw. Debora stond op het punt om met een (andere) dochter van David Nassy, Sara, naar Cayenne te vertrekken. De verklaring werd waarschijnlijk opgesteld om te voorkomen dat zij in daar door iemand voor slaaf werd aangezien of zelfs tot slaaf werd gemaakt.

Zwarte vrouw bij de viskraam op de Dam, 1653, detail uit: J. van der Ulft, De markt op de Dam (Stadsarchief Amsterdam)

Deze bijzondere akte laat niet alleen zien dat er in het midden van de zeventiende eeuw in Amsterdam gekleurde vrouwen leefden, maar ook dat er zich onder de eerste joodse kolonisten naar de Guyana’s al vrije gekleurde joden bevonden. Iets dat later in de 18e eeuw misschien wel als kenmerkend voor de Portugese gemeente in Suriname genoemd kan worden,[1] maar eerder ook al in Portugal, Brazilië en Amsterdam bestond. Ook laat de akte zien hoe, in de woorden van Raymann, schizofreen mensen en hun geschiedenissen kunnen zijn. Aan de ene kant slavenhandelaar, aan de andere kant een gekleurde dochter in vrijheid opvoeden in je eigen huis.

Tot slot laat de akte zien hoe belangrijk het is voor historici om bronnen zorgvuldig te lezen en te controleren. Deze akte is namelijk door verschillende historici verkeerd geïnterpreteerd. Zo schrijft Schorsch in Jews and Blacks in the early modern world:A 1659 notarial deed relates merchant-adventurer David Nassy’s manumission of a Black woman slave who was to accompany his daughter from Amsterdam to Cayenne’.[2] De interpretatie dat hier een anonieme zwarte vrouw in Amsterdam gemanumitteerd (vrijgelaten) werd, is daarna door andere historici die over slavernij in de Republiek hebben geschreven overgenomen, zonder op zoek te gaan naar de originele bron.

Of Debora zelf ook in Suriname is aangekomen weten we niet. Sara is met de rest van de Nassy-familie in 1664 naar Suriname vertrokken. Debora ben ik na deze akte niet meer tegen gekomen, maar als zij de vier jaar in Cayenne overleefd heeft, is de kans zeer groot dat zij met de rest van de familie Nassy naar Suriname is vertrokken en dat zij wellicht, zoals vele andere Nassy’s, op de oude joodse begraafplaats bij de Cassipora-kreek begraven ligt.

Voor Raymann was de aflevering een emotionele ervaring, het zijn immers zijn voorouders die niet alleen slachtoffer waren van de slavernij en vervolging, maar ook van mensen die hun vrijheid probeerden te bereiken ten koste van de vrijheid van anderen. De aflevering laat vooral zien dat je aan de hand van persoonlijke verhalen en documenten niet alleen familiegeschiedenissen, maar ook grotere gebeurtenissen uit de geschiedenis, zoals de vestiging van de sefardische joden en de geschiedenis van slavernij in Suriname, op een aangrijpende maar vooral ook toegankelijke manier kan vertellen.

Mark Ponte is historicus en werkt bij het Stadsarchief Amsterdam. Naast zijn werkzaamheden bij het archief doet hij onderzoek naar vrije en onvrije afrikanen in zeventiende-eeuws Amsterdam en naar de betrokkenheid van Amsterdammers bij slavenhandel en slavernij. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel. Je kan hem vinden op Twitter en op Academia.edu.

[1] Jonathan Schorsch,  Blacks in the Early Modern World (Cambridge 2004) 95.

[2] Zie bijvoorbeeld: Aviva Ben-Ur, ‘Slavery, conversion, and Upward mobility in Suriname’s Jewish Community’, in Richard L. Kagan en Phillip D. Morgan (eds.), Atlantic Diasporas. Jews, conversos, and Crypto-Jews in the Age of Mercantilism, 1500-1800 (Baltimore 2009), 152-169.