Veel meer dan 1% van de Nederlanders kwam in aanraking met slavernij

In reactie op het opiniestuk van Martin Sommer toont Mark Ponte dat het idee dat slechts 1% van de Nederlanders te maken kreeg met slavernij een grove onderschatting is van de historische werkelijkheid.

“Hooguit 1 procent van de Nederlanders heeft ooit te maken gehad met de slavernij”, schreef columnist Martin Sommer op basis van een telefoongesprek met emeritushoogleraar Piet Emmer in De Volkskrant (Opinie, 26 augustus). Terecht stelde Jörgen Tjon A Fong in zijn reactie dat de gevolgen van slavernij in de maatschappelijke ongelijkheid en niet in de cijfers zitten (Opinie, 29 augustus), maar ook op het percentage van 1% valt heel wat af te dingen.

Bijna drie eeuwen lang was slavernij een centraal onderdeel van de samenleving in de Nederlandse gebieden in Amerika, Afrika en Azië. Vanaf de zeventiende eeuw kwamen Nederlanders dan ook op verschillende manieren – direct en indirect – met slavernij in aanraking.

Beelden van Afrikanen aan de gevel van Herengracht 514. In de 18e eeuw werd dit pand bewoond door Hendrik van Hoorn, directeur van de Societeit Berbice en eigenaar van een suikerraffinaderij. (Foto: Erik Schmitz, 2013).

Wie door achttiende-eeuwse kranten bladert, zal al snel merken dat slavernij en slavenhandel een grote rol speelden in de overzeese gebieden. Er werd geschreven over belangrijke gebeurtenissen zoals de ramp met het slavenschip Leusden in 1738, de oorlogen met de marrons in Suriname en de grote slavenopstand in Berbice in 1763. Zo schreef de Leidsche Courant op 8 apr 1738: “Den 31 december was in de Marrewyne verongelukt het W.I.C. Schip Leusden, met 670 slaaven van de Kust van Guinea naar Suriname gaande, van welke er maar vijf, nevens al de Blanken, geborgen waren”.[1] In dezelfde week werden ook de lezers van de andere grote kranten op de hoogte gebracht van de scheepsramp.

In dezelfde kranten werd men via scheepsberichten op de hoogte gehouden van de scheepsbewegingen van de ‘Nederlandse’ vloot, waaronder de Nederlandse slavenschepen. Tot slot werd er op grote schaal geadverteerd voor verkoop van plantages in Suriname en Berbice, inclusief de mensen die er als slaaf gehouden werden. Deze veilingen vonden vaak in Amsterdam plaats.

Advertentie “Amsterdamse Courant”, 27 januari 1756 voor verkoop van Surinaamse plantage inclusief “(…)negerwooningen, suykermolen, kookhuis, gereedschappen, slaven, slavinnen (…)”. De verkoop vond plaats in ’t Oudezijds Heerenlogement (Op deze plek staat nu nieuwbouw, de locatie van de administratie van de Universiteit van Amsterdam).

Niet alleen krantenlezers in de Nederlandse Republiek werden geconfronteerd met slavernij en slavenhandel. In de achttiende eeuw vertrokken jaarlijks een kleine twintigduizend jongens en mannen met schepen naar West- en Oost-Indië. In deze gebieden – en soms al aan boord – kreeg men altijd te maken met slavernij. Deze zeelui die uit alle klassen van de maatschappij kwamen, uit de steden maar ook uit de kleinste dorpen, schreven daarover in brieven en uiteraard vertelden zij daarover aan vrienden en familie bij terugkomst in stad of dorp. Zo schreef de 14-jarige scheepsjongen over zijn ervaringen in Paramaribo in 1794 dat er in Paramaribo “zoveel zwarte nagenoeg nakende menschen te zien” zijn.[2]

Zelfs in de Republiek kwamen vele mensen direct in aanraking met slavernij. In de loop van de tijd kwamen heel veel zwarte mannen en vrouwen die als slaaf werden gehouden voor korte of langere tijd naar Nederland. De Leidse emeritus hoogleraar Raymond Buve berekende ruim vijftig jaar geleden al dat het aantal onvrije mannen en vrouwen dat vanuit Suriname in de achttiende eeuw naar de Republiek kwam, tussen de 1000 en 1500 moet hebben gelegen.[3] Deze mensen bleven maanden en soms jaren in steden als Amsterdam en Den Haag. Uiteraard kwamen er ook uit Berbice, Curaçao, Java en andere plaatsen in het Nederlandse koloniale rijk slaven voor korte of langere tijd naar Nederland, waardoor het werkelijke aantal van onvrije zwarte en gekleurde mensen in Nederland nog veel hoger heeft gelegen. Vooral voor Amsterdammers en Hagenaars moet dit een alledaags verschijnsel zijn geweest.

Detail van “De boekhandel en het loterijkantoor van Jan de Groot in de Kalverstraat in Amsterdam”, Isaac Ouwater, 1779. Links een koopman met zwarte bediende. (Bron: SK-A-4026 Rijksmuseum)

Indirect was die betrokkenheid natuurlijk nog veel groter. Duizenden vonden werk in de suikerraffinaderijen, tabaksspinnerijen en andere verwerkingsbedrijven van de producten van de plantages. Tot slot kreeg vrijwel iedere achttiende-eeuwer bewust of onbewust te maken met slavernij door het consumeren van suiker, koffie, cacao en niet te vergeten tabak.

Hierboven heb ik een aantal, maar zeker niet alle, voorbeelden gegeven van hoe men in de zeventiende en achttiende eeuw te maken kreeg met slavernij. Het moge duidelijk zijn, de 1% procent van Piet Emmer is niet de “nuttige nuance” die Martin Sommer er graag in ziet, maar een grove onderschatting van de historische werkelijkheid.

Mark Ponte is historicus en werkt bij het Stadsarchief Amsterdam. Naast zijn werkzaamheden bij het archief doet hij onderzoek naar vrije en onvrije afrikanen in zeventiende-eeuws Amsterdam en naar de betrokkenheid van Amsterdammers bij slavenhandel en slavernij. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel. Je kan hem vinden op Twitter en op Academia.edu.

[1] Leidsche Courant, 8 april 1738.

[2] Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen 2016), 70.

[3] R. Buve, ‘Surinaamse slaven en vrije negers in Amsterdam gedurende de achttiende eeuw’, Bijdragen tot de Taal- Land- en Volkenkunde 119 (1963), 1e aflevering, p. 8-17.