Waarom Gerdi Verbeet het veld moet ruimen

Nadat een hetze rondom een antisemitische uitspraak Abdelkader Benali noopte zich terug te trekken als spreker in de Nieuwe Kerk bij de herdenking op 4 mei, reageerde Nationaal Comité-voorzitter Gerdi Verbeet in het radioprogramma Spraakmakers door na te trappen en haar eigen handen in onschuld te wassen. Sara Polak betoogt dat Verbeet zelf beter kan opstappen. Een open brief.

Geachte mevrouw Verbeet,

Graag licht ik toe waarom ik vind dat niet alleen Abdelkader Benali, maar vooral u consequenties moet trekken uit het debacle rondom zijn uitnodiging als spreker in de Nieuwe Kerk op 4 mei. Donderdag hoorde ik u op Radio 1 zeggen dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei niet kon weten dat Benali vijftien jaar geleden een antisemitische uitspraak heeft gedaan. Of nou ja, zei u, “we hadden wel echt het internet moeten scrutinizen”. U verwijt Benali dat hij de smet op zijn blazoen niet meldde toen u hem belde met de uitnodiging. Mevrouw Verbeet, dat had u echt zelf moeten uitzoeken vóór u hem vroeg. Los van de inhoud: u kunt “discussies op het internet” niet afwijzen als beneden uw waardigheid, en er tegelijk wel uw oren naar laten hangen als de geest eenmaal uit de fles is. Het wegen en inschatten van de gevoeligheden rondom 4 mei is bij uitstek de taak van het Comité.

Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Wikimedia Commons CC-BY-SA

Als u dat had gedaan, was vervolgens de vraag geweest of Benali, gezien zijn uitspraken, zou kunnen spreken op die avond. Ik weet niet of het antwoord nee had moeten zijn. Het internet onthoudt alles en er zijn genoeg mensen uit op dit soort hetzes, zeker als het iemand met een Marokkaanse achtergrond betreft. Wellicht was u met Benali en andere betrokkenen tot een goede tussenvorm gekomen. Benali had, in plaats van een “ik was dronken” fauxpology, direct in het Parool écht zijn spijt kunnen betuigen (zoals hij kort daarna in OVT alsnog deed). Misschien was de conclusie “beter niet” geweest, maar ook dan had u hem en de directe nabestaanden veel ellende bespaard.

De Nationale Dodenherdenking moet met alle respect en voorzichtigheid omspringen met de directe overlevenden en nabestaanden, en dat doet het Comité. Maar de rest van de Nederlanders, wij die er niet bij waren en die dit verleden dus betekenis moeten geven door verbanden te leggen met ons eigen leven, vormen een grote en groeiende groep. De Dodenherdenking is ons enige echte jaarlijkse nationale moment, en moet dus ook voor en van degenen zijn die er niet bij waren. De herdenking moet gelegenheid geven om te herdenken wat er toen gebeurde, en om te doordenken wat dat ons leert over vrijheid en over mechanismes van in- en uitsluiting waar we nu daders, slachtoffers en omstanders van zijn.

Gerdi Verbeet, foto: Lex Draijer
Wikimedia Commons (CC-BY)

Ik vond het daarom schokkend, dat u Benali in feite een trap na gaf, door te zeggen dat u hem hebt willen vragen om mensen “met een migrantenachtergrond”, die “deze herdenkingstraditie niet van huis uit hebben meegekregen”, erbij te betrekken. Zihni Özdil vertaalde vrij: “We hadden dat Marokkaantje geselecteerd omdat we een Marokkaantje wilden. Maar ook hij bleek een typisch Marokkaantje te zijn”. Ik ben het vaak met Özdil oneens, en dit is niet wat u bedoelde, maar op mij kwam het inderdaad zo over. U wilt betrekken, maar sluit zo juist uit.

Het onderscheid dat u maakt tussen degenen wier voorouders de oorlog in Nederland meemaakten, versus ‘migranten’ is bovendien niet het meest relevante. U wijst er terecht op dat het een Wereldoorlog was. Het relevantere verschil zit in het type herinnering: afgaande op zijn eerdere werk kan Benali mensen aanspreken over hoe een oorlog die ze niet meemaakten, er in hun eigen leven toch toe doet. Arnon Grunberg – wiens woorden trouwens ook regelmatig als antisemitisch opgevat zijn, maar wiens uitnodiging nooit im Frage kwam – legde het vorig jaar haarfijn uit: Benali’s vrijheid, en de manier waarop hij soms uitgesloten wordt, zijn mede bepaald door zijn etnische achtergrond; dat fenomeen houdt rechtstreeks verband met de oorlog.

Het is cruciaal dat het Nationaal Comité mensen vindt – Fatima Elatik? Lieke Marsman? Emine Uğur? Khadija Arib? Gerda Havertong? – screent en begeleidt die alle Nederlanders kunnen aanspreken. In dat proces kan het gewicht van discussies, en racisme, op internet niet ontkend worden, en als u dat, blijkbaar, niet onder ogen wilt zien, kunt u beter opstappen.

 

Meer lezen?

 

Sara Polak (foto: Hedske Vochteloo)

Sara Polak is universitair docent American Studies bij Leiden University Centre for the Arts in Society, met een focus op memory studies en herinneringspraktijken. Ze is auteur van “This is Roosevelt’s World” – FDR as an Icon in American Memory.