Werkomstandigheden aan de universiteit – Visies van de verschillende partijen

Op 17 maart gaan we naar de stembus. Op basis van een analyse van alle programma’s bespreekt Over de Muur de historische verwijzingen in de programma’s, de ideeën over de werkomstandigheden aan de universiteit en wat de partijen zeggen over het geschiedenisonderwijs. In deze aflevering gaan we in op de visies van de verschillende partijen op de werkomstandigheden aan de universiteit.

Ten eerste valt het op dat een aantal partijen helemaal niks zeggen over het werk dat wetenschappers doen aan de universiteit: onderzoek en onderwijs. Zo zochten we tevergeefs naar een paragraaf over dit onderwerp in het programma van 50PLUS en DENK. Hoewel de VVD wel enkele woorden aan het onderwerp wijdt, is het onduidelijk waar de partij nu eigenlijk voorstaat. CDA legt vooral de nadruk op het lager onderwijs. Een aantal trends in de programma’s van partijen die hier wel op ingaan.

Meer investeren; minder rendementsdenken; “Erkennen en Waarderen”

Een aantal punten worden door de meeste partijen genoemd, in het bijzonder de moordende competitie om onderzoeksgeld, de (lage) financiering per student, en het – al dan niet doorgeslagen – ‘rendementsdenken’.

D66 schrijft: “We stoppen de race om het schaarse onderzoeksgeld en investeren weer in een bloeiende wetenschap. Met een vaste, hogere bijdrage én voldoende financiering voor hoogwaardig onderwijs.” Wat dit concreet betekent is enigszins onduidelijk. Zo wordt er ‘toegewerkt’ naar de ‘Lissabon- doelstelling om 3 procent van ons nationaal inkomen aan onderzoek en innovatie te besteden’ maar ontbreekt er een heldere planning om dit doel te bereiken. Een ‘fors deel’ van deze budgetverhoging moet in de toekomst direct naar universiteiten en hogescholen gaan. Ook het probleem van financiering via studentenaantallen wordt aangestipt, maar ook hier wordt er geen concrete oplossing geboden. Meer concreet wordt er gesteld dat: ‘De overheveling van financiering van de medische wetenschap, geesteswetenschappen en sociale wetenschappen naar bètatechniek wordt voor de eerste drie wetenschapsvelden volledig gecompenseerd.’ Meer baanzekerheid betekent voor D66 dat universiteiten worden ‘opgeroepen’ om sneller vaste of langere contracten te geven aan junior onderzoekers. Op dit laatste punt zitten jonge medewerkers safer bij de SP of GroenLinks, die dit beide zelf ter hand willen nemen. In het licht van de breed gedragen onvrede over de inzet van D66-minister Van Engelshoven voor het WO, in het bijzonder op de geesteswetenschappelijke faculteiten, stemmen de vage plannen weinig hoopvol.

 

Derde Wereldweek in Universiteit van Amsterdam besloten met discussies op 9 November 1968. (Foto: Erick Kock / Fotocollectie Anefo, Nationaal Archief CCO)

Andere partijen die de doorgeslagen competitie en het rendementsdenken hekelen zijn CDA, CU PvdA, PvdD, VOLT en GroenLinks. Het CDA wil een nieuw systeem van ‘een eigen werkkapitaal voor jonge onderzoekers en hoogleraren’ invoeren, om te zorgen dat er ‘ook in de toekomst voldoende ruimte kan worden gegeven aan de financiering van ongebonden fundamenteel onderzoek in alle wetenschappelijke disciplines’. Ook de ChristenUnie wil universiteiten vaster gaan financieren en niet meer op basis van studentenaantallen. Daarnaast moet er meer onderzoeksgeld uit de eerste geldstroom (het ministerie van OC&W), en minder uit de tweede geldstroom (NWO) komen, en wil CU investeren in multidisciplinair onderzoek met maatschappelijke impact. Er moet minder nadruk komen op ‘rendement’ en de bekostiging van universiteiten moet gekoppeld worden aan het onderzoek.

De PvdA stelt in haar partijprogramma dat de universiteit doordrenkt is van rendementsdenken en stelt daarom gerichte investeringen voor het hoger onderwijs voor. De partij wil af van de huidige nadruk op publicaties en maakt geld vrij voor fundamenteel onderzoek. Wetenschappers moeten zich volgens de partij op meerdere vlakken kunnen ontwikkelen: onderzoek, onderwijs, impact op de samenleving, leiderschap en samenwerking worden genoemd. Wetenschappers moeten niet slechts beloond worden naar gelang het aantal publicaties, maar op basis van ál deze competenties. De PvdA pleit daarom voor een vast bedrag voor alle universiteiten, voor meer vaste aanstellingen en een vaste onderzoeksvoet voor wetenschappers in hun aanstellingen. Ook moet er volgens de partij een eerlijke verdeling van het budget tussen bèta, alfa, gamma en medische studies komen.

Ook GroenLinks hekelt de ‘doorgeslagen competitie om onderzoeksgeld’ en het ‘rendementsdenken’ waar het wetenschappelijk onderzoek onder lijdt. De voorstellen die GroenLinks doet, onder meer een besteding van 3% van het nationaal inkomen aan ‘onderzoek en innovatie’ – de Lissabon-norm waar D66 ook naar verwijst – moeten ervoor zorgen dat er ruimte ontstaat voor ‘meer vaste aanstellingen’ en dat onderzoekers minder tijd ‘kwijt’ zijn ‘aan het schrijven van voorstellen’.

Ook de SGP herkent de competitie en werkdruk aan de universiteit. Hoewel de partij geen bedragen noemt, wordt er gesproken van meer geld via de eerste geldstroom, minder matching en minder competitie. Daarnaast noemt de SGP als een van de weinige partijen expliciet de penibele situatie van de Geesteswetenschappen, en specifiek de noodzaak om Nederlands in het WO te beschermen. Hoewel geen enkele andere partij de rol van de Nederlandse taal afzonderlijk noemt zijn er veel partijen die het belang van alfa- en gamma-wetenschap benadrukken (als ‘slachtoffers’ van het rapport Van Rijn), waaronder, zoals genoemd, D66 en PvdA, maar ook VOLT en de ChristenUnie.

Open Science en belangenverstrengeling

Een groot aantal partijen noemt het belang van Open Access en Open Science. BIJ1 wil investeren in ‘open access publiceren, door middel van digitale infrastructuur en internationale lobby’; GroenLinks presenteert zich als voorstander van het ‘open-science framework’, dat de ‘norm’ zou moeten worden voor ‘al het onderzoek dat met gemeenschapsgeld wordt gefinancierd’, en ook de SGP en de SP maken zich hier hard voor.

De PvdD is ook één van de partijen die expliciet de Open Science-beweging steunt en wil financieren. Wat echter vooral opvalt in de wetenschapsparagraaf is de aandacht voor belangenverstrengeling. De PvdD gruwelt van leerstoelen en projecten die gefinancierd worden door de fossiele industrie. Er moet een openbaar register komen voor de nevenactiviteiten van hoogleraren en ethische commissies zouden toe moeten zien op eventuele belangenverstrengeling. De partij wil zelfs onderzoek en academisch werk “dat leidt tot verandering in economisch denken” stimuleren. De specifieke aandacht voor de fossiele industrie komt verder alleen terug bij BIJ1; de partij zegt paal en perk te willen stellen aan ‘de invloed van de fossiele industrie op het onderwijs’. De SP noemt de onafhankelijkheid van onderzoek een belangrijke pijler, die gewaarborgd moet worden wanneer bedrijven als opdrachtgever optreden.

Studiekosten, medezeggenschap en diversiteit

BIJ1 wil het collegegeld afschaffen en een inkomensafhankelijke basisbeurs invoeren. Ook van de CU en DENK moet het leenstelsel worden afgeschaft en moet de studiedruk omlaag.

De VVD geeft aan de medezeggenschap van studenten en medewerkers belangrijk te vinden, maar of deze ook versterkt zou moeten, en zo ja hoe, worden blijft onduidelijk. De PvdA stelt dat specifiek studenten meer inspraak moeten krijgen.

 

Studenten houden Vrije Universiteit van Amsterdam bezet uit protest tegen verkiezingen VU-raad (Foto: Bert Verhoeff / Fotocollectie Anefo, Nationaal Archief CCO)

BIJ1, ten slotte, beperkt zich niet tot het aanduiden van zaken waarin geld geïnvesteerd moet worden. Even stellig is de partij over de structurele veranderingen die ze nodig acht. Het is niet verrassend dat BIJ1, die diversiteit, inclusie en gelijke kansen hoger in het vaandel draagt dan de andere partijen, verwacht dat de universiteit een weerspiegeling is van de samenleving. Dat is nu niet het geval. Daarom pleit BIJ1 ervoor dat elke instelling een ‘diversiteitscommissie’ krijgt en dat er ‘diversiteitsquota’ komen in ‘alle onderwijs- en bestuurslagen in het hoger onderwijs’.

Veel partijen signaleren het doorgeslagen rendementsdenken. Het blijft echter vaak onduidelijk op welke manier en vooral ook op welke termijn structurele financiering in het WO dit probleem moet oplossen. In het licht van niet nagekomen beloftes van middenpartijen om te investeren in het WO, stemmen de programma’s weinig hoopvol.

Voor dit stuk zijn de verkiezingsprogramma’s van de volgende partijen geraadpleegd: 50PLUS, BIJ1, ChristenUnie, CDA, D66, DENK, GroenLinks, SGP, PvdA, PvdD, SP en VVD.