Baudets Franse fascistische connectie

Het gaat niet ver genoeg om te stellen dat het politieke discours van Thierry Baudet doet denken aan de Europese politiek van de jaren dertig. Hij heeft het eraan ontleend.

Voor wie zich bezighoudt met de ideeëngeschiedenis van het fascisme is de opkomst van Thierry Baudets Forum voor Democratie een zegen. Waar de ideologie van een recente voorganger als Pim Fortuyn te eclectisch en onsamenhangend was voor een analyse in relatie tot het fascisme, bieden Geert Wilders en de Partij Voor de Vrijheid wel een coherente visie, maar bar weinig intellectuele aanknopingspunten. De twitteriaanse communicatiestijl van Wilders leent zich nu eenmaal slecht voor bespiegelingen over de politieke en filosofische reuzen op wiens schouders hij zich nestelt. De enige PVV’er die in de buurt komt van de status van intellectueel is Martin Bosma. Zijn uitweidingen over de Afrikaners als onderdrukte volksgenoten en over multiculturalisme als totalitaire ideologie (verwant aan het volgens hem ‘linkse’ nazisme) zijn opmerkelijk, maar bij hem blijft altijd de vraag hangen of hij wel namens de leider spreekt. Zo niet, dan doet hij er toch een stuk minder toe.

Baudet is andere koek. Hij is niet alleen belezen en bereid om dit te pas en te onpas uitvoerig tentoon te spreiden, maar is in de afgelopen jaren ook de vertegenwoordiger geworden van een radicale en relatief samenhangende ideologie. Beide elementen werden goed zichtbaar tijdens zijn hallucinante overwinningsspeech na afloop van de Provinciale Statenverkiezingen. Bovendien is Baudet zelf zeer geïnteresseerd in de filosofische, politieke en literaire achtergronden van zijn eigen denken. Toen ik hem tien jaar geleden in Parijs leerde kennen toonde hij veel enthousiasme voor het scriptieonderzoek dat ik toen deed (naar nationaal socialisme in vroeg-twintigste-eeuws Frankrijk). Ik was aangenaam verrast over zo veel interesse voor een onderwerp dat bij de meeste gesprekspartners weinig meer opriep dan meewarige blikken, maar al snel merkte ik dat zijn belangstelling van een andere orde was dan de mijne. Het ging hem niet om de historische analyse, maar om de bruikbaarheid van de ideeën voor vandaag de dag.

Zo sprak hij vol bewondering over Maurice Barrès (1862-1923), een Franse politicus en romanschrijver die de grondslag legde voor een etnisch en raciaal nationalisme dat recht tegenover de Franse republikeinse traditie stond. De natie was voor Barrès iets irrationeels en aangeborens, een collectief gevoel waarvan iedere Fransman door afstamming en contact met de Franse grond deel uitmaakte. Dit betekende automatisch dat een vreemdeling, of dit nu een Jood of een ander soort buitenstaander was, nooit echt een onderdeel kon zijn van de nationale gemeenschap. Barrès raakte in de ban van een fel antisemitisme, waarvan hij ook de propagandistische kracht op waarde schatte. Door Joodse banken, kapitalisten en buitenlandse samenzweerders de schuld te geven kon de steun van de gewone man makkelijk gevonden worden. In 1898 stelde hij zich als ‘nationaal socialist’, een begrip waarvan hij min of meer de uitvinder was, verkiesbaar voor het Franse parlement.

Maurice Barrès (Bron: Wikipedia, public domain)

Ook over de fascistische schrijver en collaborateur Pierre Drieu la Rochelle (1893-1945) was Baudet enthousiast. Drieu ontwikkelde zich tijdens het interbellum van avant-gardistische bohémien tot fascist. Zijn collaboratie met de Duitse bezetter had, naast antisemitisme, een Europese basis: Drieu was ervan overtuigd dat er onder leiding van de nazi’s een sterk Europa kon worden opgebouwd, een centrum van cultuur en militaire koloniale macht dat voor eens en altijd zou afrekenen met de ‘decadentie’ van het moderne bestaan. In zijn deels autobiografische bildungsroman Gilles (1939) schetst Drieu het leven van een jongeman die na ongelukkige artistieke en amoureuze omzwervingen ten slotte zijn heil vindt in het fascisme, de decadentie van zich afschudt en zich aansluit bij de troepen van Franco in de Spaanse Burgeroorlog.

Eind 2015 mijmerde Baudet in een Franstalige column aan de hand van Gilles over de recente aanslagen in Parijs en de noodzaak van strijd en radicale actie. Tegenover de ‘massa-immigratie’ en het gevaar van de islam zag hij voor ‘Europeanen’ slechts twee opties: leven als onderworpenen of ten strijde trekken. De strijd zou hoe dan ook het einde betekenen van vrede en democratie, maar deze prijs moest dan maar worden betaald. Immers, wat geldt voor het menselijk lichaam dat dagelijks vecht tegen bacteriën, gold ook voor Gilles: het is beter om te sterven dan te leven met een valse vrede. ‘Alles in het leven verwerkelijkt zich door strijd. Wie niet strijdt, sterft.’

In toespraken en interviews verwijst Baudet niet expliciet naar Barrès, al lijkt hij wel een belangrijke propagandistische les te hebben geleerd van de Franse denker. Concreet heeft hij zijn overwegend mannelijke, oudere en in randsteden woonachtige electoraat weinig te bieden, maar een concreet vijandbeeld en nationale ondergangsvisioenen zijn – mits met overtuiging gebracht en systematisch herhaald – voldoende om steun te verwerven. Het blijft echter niet bij apocalyptische waarschuwingen. Baudets overwinningstoespraak was bovenal doorspekt van het idee van wedergeboorte, van een opleving van het tot ondergang gedoemde Nederland vlak voordat het te laat is, op het moment dat velen de strijd al half hebben opgegeven.

Deze vorm van denken sluit naadloos aan bij wat als één van de kernelementen van het fascisme wordt beschouwd, palingenetisch ultranationalisme. Dit is een vorm van nationalisme die uitgaat van het concept van nationale wedergeboorte en terugkeer naar oude glorie, die volgt op een periode van zwakte en vernederingen. Het is precies dit beeld dat oprijst uit de toespraak van Baudet: Nederland en ‘onze boreale wereld’ (codewoord voor een raszuiver wit Europa) hebben het mooiste voortgebracht waar de mensheid toe in staat is, maar immigratie, gelijkheidsdenken, multiculturalisme en een anti-nationale samenzwering van wetenschappers, journalisten, politici, scholen en klimaatactivisten hebben dat kapot gemaakt. De verkiezingsoverwinning van FvD betekent het begin van de grote ommekeer, de renaissance van een volk dat zich weer trots en groots mag voelen, evenals de gemankeerde kunstenaar die deze woorden uitspreekt.

Dit is een krachtige mythe, die een roemrucht verleden, angst voor dood en ondergang, gemeenschapszin, vijandbeelden, wraakzucht en hoop met elkaar verbindt. Deze mythe staat zeer ver af van wat we doorgaans rekenen tot het domein van de Nederlandse parlementaire coalitiepolitiek en is er feitelijk onverenigbaar mee. Het gaat niet ver genoeg om te stellen dat dit politieke discours doet denken aan de Europese politiek van de jaren dertig. Thierry Baudet heeft het eraan ontleend.

Daniel Knegt is als docent moderne geschiedenis verbonden aan de Universiteit van Amsterdam

Meer lezen?

Bram Ieven: Waarom Thierry Baudet een fascist is.