‘De’ Nederlandse Geschiedenis? Hoezo?!

Het verleden wordt regelmatig geclaimd door verschillende groepen. Maar niet iedereen krijgt de kans zich gereflecteerd te zien in onze geschiedschrijving zoals deze nu wordt gepresenteerd en dat is problematisch, stelt Larissa Schulte Nordholt.

Historische details worden in het publieke debat te pas en te onpas ingezet als instrumenten van (politieke) macht. Hoe moeten we naar onze geschiedenis kijken? Die vraag werd afgelopen zondag letterlijk gesteld in Buitenhof. Om er vervolgens over te gaan praten met drie witte niet-historici. De discussie gaf een interessant beeld van vragen die klaarblijkelijk heersen in het publieke debat omtrent ‘onze’ geschiedenis. Er werd heftig gediscussieerd over wie er wel of niet schuldig zou zijn aan ‘het slavernijverleden’. Maar is de vraag of wij wel of niet schuldig zijn – of ons zo moeten voelen – wel echt zo relevant als in Buitenhof leek? Het gaat namelijk helemaal niet om collectieve schuld. Het gaat om het erkennen dat geschiedenis én onze omgang met die geschiedenis invloed heeft op hoe wij ons nu gedragen, door Gloria Wekker betoogd in Witte Onschuld.

Wellicht is het zinvoller om discussies tussen witte mensen over schuldgevoel die vooral henzelf dienen achterwege te laten en ons af te vragen wie zich kan herkennen in onze geschiedenis. De slavernijgeschiedenis wordt nu geclaimd door witte mensen als een interessant discussiepunt, in plaats van te reflecteren op de achterliggende machtsstructuren. De geschiedenis van mensen van kleur, in Nederland en elders, is bovendien veel omvangrijker dan slavernij.  De vraag hoe het komt dat bepaalde (zwarte) bladzijden van de geschiedenis meer aandacht krijgen dan anderen en wat voor gevolgen dat heeft is wellicht interessanter dan de vraag wie zich schuldig moet gaan voelen.

Geschiedschrijving gaat immers over macht: de macht van een groep om zich te kunnen laten gelden en om kennis te creëren. Geschiedenis gaat ook over identiteitsvorming. Daarom is het ‘dekoloniseren’ van geschiedschrijving belangrijk. Dit betekent in feite niets meer dan het toelaten van perspectieven in de geschiedenis die vaak over het hoofd gezien worden in ‘ons’ (nationale) geschiedverhaal, zodat iedereen zich kan herkennen in dat verhaal. Er bestaat immers geen eenduidige versie van het verleden.

Initiatieven als The Black Archives  en F-Site, die zich respectievelijk richten op de geschiedenis van zwarte emancipatiebewegingen en vrouwen, proberen deze perspectieven zichtbaar te maken. Het gaat daarbij niet alleen maar om historische feitelijkheden. Er is veel meer aan de hand. De inzet is hoog: een plekje bemachtigen te midden van het retorische geweld over de Nederlandse geschiedenis. Wie kan er gemakkelijk welke periodes, gebeurtenissen en figuren uit het verleden claimen voor politieke doeleinden? Een historische held die gretig wordt gebruikt als retorisch middel is bijvoorbeeld professor Rudolph Pabus Cleveringa (1894-1980). Zijn Leidse protestrede uit 1940 tegen het ontslag van zijn Joodse collega’s door de Nazi’s staat bekend als moreel superieur, en er is dan ook geen enkele discussie over zijn status als held. Span Cleveringa voor jouw politieke karretje anno 2017, zoals Geerten Waling op 12 november in de Elsevier deed in een poging Leo Lucassen in diskrediet te brengen, en je verbindt jezelf automatisch met de morele superioriteit die wij hem toedichten. Andere verzetshelden, denk bijvoorbeeld aan communisten of Indonesische verzetslieden, laten zich minder makkelijk met die morele superioriteit verbinden omdat ze in ons collectief bewustzijn in een andere categorie van verzet worden ingedeeld. Ze passen bovendien minder goed bij het huidige Nederlandse zelfbeeld. Verschillende groepen proberen dus een onderdeel te claimen van onze publieke voorstelling van het verleden. Maar niet iedereen is daarin even succesvol omdat niet elke groep kan teruggrijpen op dezelfde collectieve verbeelding van het verleden.

Historische autoriteit gaat in de publieke ruimte dus lang niet altijd over historische waarheid. Wie de ruimte krijgt de eigen geschiedenis te schrijven en door te geven aan volgende generaties heeft te maken met beeldvorming omtrent wie gezaghebbend is. Vrouwen worden bijvoorbeeld al sinds de oudheid over het algemeen als minder gezaghebbend ervaren als ze spreken in het openbaar. Tegelijkertijd heeft iedereen rolmodellen nodig en een gevoel van identificatie met het verleden. Aimé Césaire, een Frans-Martinikaans intellectueel, maakte in 1967 in een interview al duidelijk dat het kennen van de eigen geschiedenis een wezenlijk onderdeel vormt van het proces van emancipatie en identiteitsvorming voor onderdrukten groepen in de maatschappij. Het ‘dekoloniseren’ van het publieke debat is daarom geen overbodige luxe. Wie zegt dat de VOC een belangrijker onderdeel vormt van onze nationale geschiedschrijving dan die van radicale emancipatiebewegingen uit de 20e eeuw? En voor wie is dat zo? En waarom weten ‘we’ maar zo weinig van vrouwen die actief waren bij de VOC, of hoe de revolutie op Haïti eind 18e eeuw de Verlichting heeft beïnvloed?

Het is dus niet alleen belangrijk te weten wie de historische gildemeesters zijn en welke onderwerpen zij bestuderen. Mentale dekolonisatie – het zichtbaar maken van verborgen geschiedenis vanuit het perspectief van diegene over wie die geschiedenis gaat – is eveneens belangrijk, niet alleen om feitelijke onjuistheden over het verleden te corrigeren, maar ook om emancipatie mogelijk te maken. Discussies over schuld kunnen we daarbij liever laten liggen ten behoeve van daadwerkelijke reflectie op de geschiedenis. Want schuldgevoel “is a response to one’s own actions or lack of action. If it leads to change then it can be useful, since it is then no longer guilt but the beginning of knowledge. Yet all too often, guilt is just another name for impotence, for defensiveness destructive of communication; it becomes a device to protect ignorance and the continuation of things the way they are, the ultimate protection for changelessness.” – Audre Lorde, Sister Outsider, 1984.

Verder lezen?

Gloria Wekker, Witte onschuld. Paradoxen van kolonialisme en ras (Amsterdam 2017).

Gloria Wekker online over Witte Onschuld.

Larissa Schulte Nordholt is promovendus bij het Instituut voor Geschiedenis in Leiden. Haar onderzoek richt zich op de historiografie van UNESCO’s General History of Africa/l’Histoire Générale de l’Afrique. De vraag hoe historici die aan het project werkten zich mentale dekolonisatie voorstelden en hoe zij dat in praktijk brachten in een periode vlak na en tijdens politieke dekolonisatie staat daarbij centraal.