Categorieën
Geschiedenis actueel

Demonstreren tussen wet en rechtvaardigheid

De wereldwijde pro-Palestijnse studentendemonstraties die in het voorjaar van 2024 zo veel losmaakten, zijn geen nieuw fenomeen. Ook in de Romeinse keizertijd werd er al fel geprotesteerd om de rechten van onschuldige slachtoffers te beschermen. Welke lessen zijn daaruit te trekken voor het heden?

In 61 na Christus zorgde een controversiële rechtszaak ervoor dat grote groepen demonstranten de straten van Rome op gingen. De stadsprefect Pedanius Secundus was vermoord door een slaafgemaakte man in zijn huishouden. Volgens oud Romeins gebruik betekende dit dat niet alleen hijzelf, maar ook alle andere slaafgemaakten die zich onder hetzelfde dak bevonden, ter dood moesten worden gebracht: zij hadden immers nagelaten hun dominus (letterlijk: meester) te beschermen, en er kon zelfs worden aangenomen dat ze op de hoogte waren van wat de dader van plan was. In dit geval bedreigde de wet echter maar liefst vierhonderd slaafgemaakten en volgens de Romeinse historicus Tacitus (ca. 56 – ca. 120 CE; Annales 14.42-45) maakte het Romeinse volk luidkeels bezwaar tegen de executie van zoveel onschuldige mensen. Het kwam tot een ware volksopstand en toen de leden van de Senaat over het lot van Pedanius’ huishouden vergaderden, deden ze dat in een gebouw belegerd door demonstranten.

De letter van de wet

De senatoren bleken al snel verdeeld over de kwestie: de meerderheid wilde vasthouden aan de wet en de executies doorgang laten vinden, maar een substantiële minderheid sloot zich aan bij de bezwaren van het volk. Tacitus geeft de lezer niet meer dan een beknopte samenvatting van argumenten van de tweede groep: die maakte zich niet alleen zorgen om het aantal slaafgemaakten dat geëxecuteerd zou worden, maar beriep zich ook op hun onschuld en ‘hun leeftijd en geslacht’, hetgeen suggereert dat Pedanius’ huishouden voor een aanzienlijk deel uit vrouwen en kinderen bestond. Het andere kamp, dat werd vertegenwoordigd door de befaamde jurist Gaius Cassius Longinus, komt in Tacitus’ verslag veel uitgebreider aan het woord. Hoewel zijn speech waarschijnlijk door de historicus is bewerkt, geeft zijn tekst toch een idee van de argumenten die werden gebruikt om vóór executie te pleiten.

Cicero beschuldigt Catalina in de Romeinse Senaat (Cesare Maccari, 1889). Bron: Wikipedia

Cassius betoogde, dat het belangrijk was om de letter van de wet zoals die ooit door de Romeinse voorouders was opgesteld in stand te houden. Daarnaast suggereerde hij dat geen enkele Romeinse burger, zelfs die van de hoogste rang, nog veilig zou zijn als de slaafgemaakten in hun huishouden geen straf meer hoefden te vrezen als hun dominus werd vermoord, en als diens dood niet gewroken kon worden. Hij beschuldigde zijn opponenten er zelfs van, dat ze de moord op Pedanius probeerden goed te praten door te wijzen op mogelijk onrecht dat hij zijn moordenaar zou hebben aangedaan en verwierp onmiddellijk het idee, dat onschuldige mensen gevrijwaard zouden moeten worden van executie. Elk goed precedent, betoogde hij, heeft iets van onrechtvaardigheid in zich, maar die onrechtvaardigheid richting een enkel individu wordt gecompenseerd door de voordelen, die het streng handhaven van de wet heeft voor de gemeenschap als geheel.

Door Cassius dit argument te laten maken, haakt Tacitus aan bij een thema dat herhaaldelijk voorkomt in het werk van Romeinse juristen, waarin het concept aequitas (billijkheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid) centraal staat. Volgens dit principe was het niet voldoende om wetten volgens de letter te handhaven, maar moest er rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van een zaak – zoals, in dit geval, het aantal mogelijke geëxecuteerden, hun leeftijd en geslacht, en hun duidelijke onschuld. In zijn speech erkende Cassius, dat de executies totaal aan dit beginsel van billijkheid voorbij zouden gaan, maar betoogde hij dat een strenge handhaving van de wet desondanks in het algemeen belang was. Het Romeinse volk dacht daar duidelijk anders over, maar hun protesten mochten niet baten – de demonstraties werden door militair ingrijpen onderdrukt, en de vierhonderd slaafgemaakten werden met instemming van een meerderheid van de Senaat geëxecuteerd

Van Rome naar Gaza

De hierboven beschreven episode bevat een aantal centrale elementen die opvallende overeenkomsten vertonen met de recente Israëlische aanval op Gaza, en de daaropvolgende pro-Palestijnse studentenprotesten. Dit wil niet zeggen dat deze gebeurtenissen perfecte parallellen van elkaar zijn: de politieke en juridische kaders van het antieke Rome verschillen nadrukkelijk van die van vandaag. Juist die historische afstand maakt het zo belangrijk om historische rechtszaken te blijven bestuderen: Tacitus’ verslag dwingt ons om na te denken over onze eigen opvattingen over recht en rechtvaardigheid, en helpt ons zo te reflecteren op vergelijkbare gebeurtenissen in onze eigen tijd.

Een eerste belangrijke overeenkomst is dat in beide gevallen gemarginaliseerde groepen met beperkte juridische rechten collectief gestraft worden voor een verschrikkelijke gewelddaad waarbij zij zelf niet betrokken waren, maar waarvoor ze desondanks op dubieuze gronden als medeplichtig worden behandeld. Onder Romeins recht golden slaafgemaakten als een vorm van eigendom, en er heersten onder de Romeinse bovenklasse sterke vooroordelen dat ze door hun alomtegenwoordigheid een continue bron van dreiging waren. De Palestijnse bevolking heeft onder Israëlisch bewind eveneens met een structurele rechtsongelijkheid te maken. Hoewel zij niet gereduceerd zijn tot eigendom, wordt Israël door sommigen (waaronder Human Rights Watch,  de Israëlische organisatie B’Tselem en Amnesty International) al langere tijd omschreven als een apartheidsstaat, waarin de rechten van Palestijnen sterk beperkt zijn.

Dit laatste is een prominent aandachtspunt voor de huidige studentenprotesten en hun sympathisanten. Zij wijzen er bovendien op dat soortgelijke oproepen aan universiteiten om afstand te nemen van investeringen in, en samenwerking met, instellingen die profiteerden van het Zuid-Afrikaanse apartheidssysteem in de jaren ’80, sterk hebben bijgedragen aan het ten val brengen van dat systeem. Waar de Romeinse burgerbevolking in 61 voor zover we weten dus vooral opriep tot het sparen van een (weliswaar groot) aantal specifieke individuen, roepen de demonstranten van nu op tot een bredere systeemverandering en een einde aan structurele onrechtvaardigheid, waaraan ze universiteiten medeplichtig achten.

Deze bredere focus komt ook tot uiting in de aanklacht voor genocide tegen Israël, die in december 2023 door Zuid-Afrika werd ingediend bij het Internationaal Gerechtshof, en sindsdien plausibel is verklaard. Het concept genocide was in juridische zin onbekend in Rome, maar de argumenten van het Israëlische juridische team vertonen opvallende overeenkomsten met die van Cassius in de Romeinse Senaat. De Israëlische vertegenwoordigers omschreven de aanval op Gaza in termen van het recht op zelfverdediging, en beriepen zich op het Handvest van de Verenigde Naties, dat staten dat recht garandeert. Hoewel ze het aantal burgerslachtoffers in Gaza als tragisch omschreven, beargumenteerden ze dat “under the guise of the allegation against Israel of genocide, this court is asked to call for an end to operations against the ongoing attacks of an organization that pursues an actual genocidal agenda” – een parallel met Cassius’ bewering dat de negatieve consequenties van een wet voor specifieke individuen geen beletsel moet zijn om die wet te handhaven.

Daarentegen benadrukte VN Secretaris Generaal António Guterres al in oktober 2023, dat de misdaden van Hamas geen excuus kunnen zijn voor de collectieve bestraffing van het Palestijnse volk, en ook elders is beargumenteerd dat de Israëlische aanval op Gaza verre van proportioneel is, waardoor het zelfverdedigingsargument verder op losse schroeven komt te staan. Inmiddels heeft de aanklager van het Internationaal Strafhof in Den Haag bovendien aangekondigd zowel een drietal Hamas-kopstukken als de Israëlische premier Netanyahu en defensieminister Gallant te willen vervolgen voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, en hebben verschillende Europese landen inmiddels besloten om de Palestijnse staat te erkennen. Zo blijven de juridische dilemma’s die de Romeinse Senaat 2000 jaar geleden plaagden onverminderd actueel – en opnieuw grijpen overheden in om protesten te stoppen, terwijl ze te gemakkelijk voorbij gaan aan de fundamentele vragen over rechtvaardigheid die door demonstranten worden opgeworpen.

 

Renske Janssen is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de Universiteiten van Edinburgh en Leiden. Ze werkt momenteel aan een NWO-Rubiconproject (019.212SG.010) over rechtsdenken in de werken van Tacitus. Alle opvattingen in dit stuk zijn voor rekening van de auteur.