Gert-Jan Segers morrelt aan vrijheden van minderheden en critici

In zijn nieuwste boek bevraagt Christen-Unie-voorman Gert-Jan Segers verworven vrijheden. Zijn taalgebruik lijkt daarbij onschuldig, maar dat is slechts schijn. Fons Meijer waarschuwt progressieve kiezers: trap niet in de praatjes van Segers.

Nederland is een verweesde samenleving, zo luidt de strekking van het nieuwste boek van Gert-Jan Segers. In De verloren zoon en het verhaal van Nederland gebruikt de ChristenUnie-fractievoorzitter de nieuwtestamentische gelijkenis van de verloren zoon om dit te illustreren. In dit verhaal eist een zoon zijn erfdeel op nog voor zijn vader overleden is, om vervolgens het ouderlijk huis te verlaten en het geld te verkwisten. De zoon krijgt echter spijt en keert weer terug. De Nederlandse samenleving is volgens Segers net als die verloren zoon. ‘We hebben heimwee,’ zo betoogde de politicus in een interview bij Pauw, ‘we willen weer thuiskomen bij elkaar.’ Net als Pim Fortuyn in de jaren negentig gebruikt Segers de metafoor van de ‘verweesde samenleving’ om de problemen van deze tijd mee te typeren. Door onder meer de groeiende kloof tussen arm en rijk, de opkomst van flexcontracten en de toegenomen immigratie zou onze maatschappij ontworteld zijn geraakt.

Gert-Jan Segers, 2018 (door Remco van de Pol, CC BY-SA 4.0)

Met De verloren zoon probeert Segers zich nadrukkelijk te manifesteren als een genuanceerde middenpoliticus, die zowel de zorgen van linkse als van rechtse kiezers begrijpt. Hij schrijft in zijn boek: ‘We komen alleen weer dichter bij huis als we het “gelijk van links” over de ontwrichtende werking van neoliberaal beleid erkennen en het “gelijk van rechts” over de noodzaak van waarden, normen en gemeenschappen’. Journalist Thijs Broer van Vrij Nederland verwacht dan ook dat niet alleen behoudende ChristenUnie-stemmers, maar ook veel progressieve kiezers zich in Segers’ analyse zouden kunnen vinden. Juist progressieve kiezers moeten echter op hun hoede zijn wanneer politici zich gaan beroepen op huiselijkheidsmetaforen. Het denken over de maatschappij als huisgezin – en huiselijkheidsdenken in het algemeen – zijn in het verleden keer op keer gebruikt om publiek debat te pacificeren en onwelgevallige groepen en ideeën te diskwalificeren. Enkele historische voorbeelden illustreren dit.

Thorbecke tegen de familiemetaforiek

Koning Willem I, de eerste Nederlandse oranjemonarch na de Napoleontische tijd, presenteerde zich als de vader van de natie. Meteen al bij zijn aankomst in 1813 gaf hij aan zich te voelen als een ‘vader in het midden van zijn huisgezin’. Het politieke establishment kende hem die rol dan ook toe. Na alle partijschap en twist van de voorgaande decennia was er behoefte aan eensgezindheid. En wie kon dat nu beter garanderen dan een zorgzame vadervorst? Deze maatschappijvisie liet echter weinig ruimte voor kritiek en impliceerde onbetwistbare harmonie. Toen er in de Zuidelijke Nederlanden onvrede rees over het autocratische politiek van de koning, zette hij deze criticasters weg als ‘wederspannige kinderen’. Het was niet de bedoeling dat de harmonie van het nationale gezinsleven op het spel werd gezet.

Niet voor niets liet liberaal Johan Rudolf Thorbecke zich in 1840 kritisch uit over deze beeldvorming. ‘De Staat is wel eens met eene familie vergeleken,’ schreef hij afkeurend. ‘Willem I, aan het hoofd van het Land zijner vaderen, scheen die vergelijking ernstig te nemen.’ Thorbecke stond een transparante staatsinrichting voor met een levendig publiek debat. Hij meende terecht dat dit alleen kon worden bewerkstelligd als Nederland afscheid zou nemen van het gezinsdenken en de paternalistische politieke cultuur die deze beeldvorming impliceerde.

Arbeiders van de straat

Een halve eeuw later vormde het huiselijkheidsdenken een middel om de groeiende arbeidersklasse koest te houden. Socioloog Didier Eribon heeft dit treffend beschreven voor Frankrijk, waar burgerlijke filantropen zich inzetten voor betaalbare woningen voor arbeiders. ‘De arbeiders zouden zich door dit verhoogde huiselijke welzijn hechten aan hun huis en zo zou de neiging tot politiek verzet en tot verenigings- en actievorming worden onderdrukt’. Een soortgelijke pacificatie ging in Nederland uit van het beleid van Willem ‘Vadertje’ Drees. Zijn sociale zekerheidswetgeving kwam niet enkel voort uit Keynesiaans idealisme, maar vooral ook uit een behoefte om arbeiders bij al te revolutionaire bewegingen weg te houden.

En in 1995 gebruikte Pim Fortuyn het beeld van de verweesde samenleving om te pleiten voor een terugkeer van vaderlijk gezag in Nederland. Door de individualisering en emancipatie waren de opvoedende taken van het gezin en onderwijs weggevallen. De jaren zestig hadden geleid tot een ‘puberale’ generatie die het liet afweten zelf maatschappelijke vader- of moederrollen te vervullen en regels te stellen. Zijn pleidooi voor de terugkeer van het gezinsverband in de Nederlandse samenleving functioneerde vervolgens als een middel om niet alleen zijn progressieve generatiegenoten, maar ook moslims te diskwalificeren. Het waardenstelstel dat weer de basis moest gaan vormen van de samenleving, zo stelde Fortuyn, wortelde in het jodendom, het christendom, de verlichting, en niet in de islam.

Niet voor progressieven

Net als zijn voorgangers in de negentiende en twintigste eeuw gebruikt Segers familiemetaforiek om emancipatie te bevragen. Verworven vrijheden lijken bij hem haaks te staan op zijn wens om als maatschappij ‘weer thuis te komen’. Zo zei hij bij Pauw: ‘Ik denk dat er over allemaal vormen van vrijheid onduidelijkheid is. Waar zijn de grenzen van vrijheid van godsdienst, vrijheid van onderwijs, vrijheid van meningsuiting?’ Hierbij lijkt hij zijn pijlen vooral te richten op moslims en mensen met een migratieachtergrond. Zo hekelt hij de dubbele nationaliteit van Turkse-Nederlanders als een vorm van onwenselijke verscheurdheid en tweespalt. Bovendien noemde hij bij Pauw de islam als een van de voornaamste bronnen van de ontworteldheid die veel mensen zouden voelen.

De samenleving als huisgezin klinkt misschien mooi, maar betekent in de praktijk vaak dat aan de vrijheden van minderheden en critici wordt gemorreld. Progressieve kiezers moeten hun heil niet zoeken bij het ‘thuis’ van Gert-Jan Segers.

Fotograaf: Suzan Zanders

Fons Meijer is historicus en doet als promovendus aan de Radboud Universiteit onderzoek naar de culturele verwerking van rampen in de negentiende eeuw.