Middeleeuwse toestanden, donkere verlichting en de rol van de historicus

De middeleeuwen worden onterecht neergezet als een donkere periode, betoogt Lieke Smits. Deze omgang met de middeleeuwen is niet uniek; het gebeurt ook met andere periodes. Historici moeten kritisch zijn op hoe politici de geschiedenis gebruiken voor hun eigen gewin.

“Halsema zou in de middeleeuwen op de brandstapel beland zijn.”[1] Deze tweet, een reactie op Femke Halsema´s vermeende machtsmisbruik na de arrestatie van haar zoon, is een voorbeeld van de vele verwijzingen naar de middeleeuwen die dagelijks op Twitter voorbij komen. Voor mediëvisten – zoals ik – is dit populaire beeld van de ‘Dark Ages’ als een gewelddadige periode van technologisch, intellectueel en moreel verval een doorn in het oog. Die ergernis wordt niet enkel opgewekt door feitelijke onjuistheden, maar ook door het politieke gebruik van deze misinformatie. Dat de middeleeuwen hierin niet uniek zijn bleek al uit een eerdere bijdrage waarin Kim Beerden liet zien dat de manier waarop Nederlandse rechtse politici de oudheid als positief referentiepunt gebruiken zorgelijk is. Maar hoe worden de middeleeuwen precies politiek gebruikt, en hoe verhouden ze zich tot andere periodes, zoals de jaren 1950 of de verlichting?

Duister verleden


Vooruitgangsdenken op Twitter: van middeleeuwen naar moderne tijd

De termen ‘middeleeuwen’ of ‘middeleeuws’ worden gedrukt op alles wat als achterhaald en conservatief wordt gezien. Dit leidt tot historische onjuistheden, zoals de heksenjacht in het citaat hierboven, of de mythe dat middeleeuwers geloofden in een platte aarde. Systematische heksenvervolging vond grotendeels na de middeleeuwen plaats en de aarde was volgens middeleeuwse wetenschap een bol. Daarnaast kwamen veel zaken die middeleeuws worden genoemd, zoals beperkte vrouwenrechten, in vrijwel alle historische periodes voor. Het bestempelen van conservatieve ideeën als ‘middeleeuws’ is iets wat linkse progressieven doen, bijvoorbeeld ten aanzien van strenge abortuswetgeving, maar ook vanuit rechtse hoek schetsen mensen die waarschuwen voor islamisering graag een beeld van een gewelddadige ‘middeleeuwse’ islamitische samenleving, een maatschappij waarin vrouwen en homo’s geen rechten zouden hebben en religie dominant zou zijn.

Het eenzijdige negatieve beeld van de middeleeuwen doet geen recht aan de historische realiteit. Zoals mediëvisten herhaaldelijk laten zien zijn de scheidslijnen tussen de middeleeuwen en de voorafgaande en volgende periodes vrij arbitrair, en vonden in de middeleeuwen, zowel binnen als buiten het Westen, belangrijke wetenschappelijke ontwikkelingen plaats. Ook op sociaal-cultureel gebied klopt het populaire beeld vaak niet. Abortus werd bijvoorbeeld relatief licht bestraft en men geloofde niet dat het leven begon op het moment van conceptie.[2] Het negatieve beeld van de middeleeuwen komt voort uit de self-fashioning van renaissance-auteurs als Petrarca en heeft bevestiging gekregen in het idee van de verlichting als fundament van de westerse samenleving, voorgestaan door historici als Jonathan Israël en publieke wetenschappers als Steven Pinker. Door denkers van de Frankfurter Schule en binnen het postmodernisme is deze ophemeling van de verlichting en het beeld van een lineaire vooruitgang veelvuldig en overtuigend bekritiseerd.

De jaren ‘50 als graadmeter voor vrouwenemancipatie

Verwijzingen naar de ‘donkere middeleeuwen’ laten zien dat vooruitgangsdenken – met de geschiedenis van het Westen als graadmeter – nog steeds gangbaar is in het publieke debat. De keuze voor bepaalde historische periodes toont bovendien aan dat dit vooruitgangsdenken gecombineerd wordt met een notie van discontinuïteit; wij worden gescheiden van de middeleeuwen door de intellectuele opbloei in de renaissance en de verlichting. Een andere periode met een conservatieve reputatie, de jaren ‘50, wordt van ons gescheiden door de culturele revoluties van de jaren ‘60 en ‘70.

Nostalgie en de ‘Dark Enlightenment’

In sommige kringen wordt juist met nostalgie gesproken over historische perioden waarin conservatieve waarden en leefwijzen dominant waren. Dit varieert van redelijk onschuldige uitingen van nostalgie naar de esthetiek of sociale omgangsvormen van het verleden, bijvoorbeeld naar premoderne architectuur of ridderlijkheid, tot verregaande extreemrechtse ideeën. Binnen de alt-rightbeweging worden de middeleeuwen (net als de oudheid) verheerlijkt als een periode waarin Europa nog ‘wit’ zou zijn geweest. Deze gedachte hangt samen met de neoreactionaire beweging, ook wel ‘Dark Enlightenment’ genoemd, die de verlichtingsidealen en democratie als oorzaak van de vermeende neergang van het Westen zien.[3] Een inspiratiebron voor dit neergangsdenken is Oswald Spengler, die in Ondergang van het Avondland (dat verscheen in 1918 en 1922) beschreef dat iedere cultuur een periode van opgang en neergang kent. Zowel het beeld van een middeleeuws wit Europa als het neergangsdenken zijn gebaseerd op verouderde historische inzichten.

In Nederland zien we soortgelijke ideeën in het gedachtegoed van Thierry Baudet, die de verlichtingswaarden afwijst en verlangt naar een ‘renaissance’ van de negentiende eeuw. In een interview in Vrij Nederland stelde hij dat hij “de heelheid van de wereld wil herstellen: de heelheid die er voor de Eerste Wereldoorlog was”.[4] Deze combinatie van neergangsdenken en wederopstanding levert een wat verwarrend en onsystematisch beeld van bepaalde periodes op; de negentiende eeuw wordt geprezen, terwijl revoluties en socialisme, toch een inherent onderdeel van de periode, worden afgewezen. Uiteindelijk is wat overblijft niet enkel een extreemrechtse politieke agenda, maar ook een beperkt beeld van historische periodes op basis van selectief gekozen verhalen.

Historici over de muur

Mythes en stereotypes over historische periodes moeten door historici (waar ik voor het gemak ook kunsthistorici, literatuurhistorici, archeologen etc. onder schaar) niet alleen worden bestreden om de simpele reden dat ze onjuist zijn, maar ook omdat ze schadelijk zijn. Het typeren van ongewenste ontwikkelingen als ‘middeleeuws’ is een vorm van externaliseren waarmee we een maatschappelijk ontwikkeling, zoals inperking van abortusrechten, wegzetten als iets wat niet in onze cultuur thuishoort. Dit is onproductief omdat een juiste omgang met zulke ontwikkelingen alleen mogelijk is als we ze begrijpen binnen de context van onze huidige tijd en cultuur. We moeten ons, om bij het voorbeeld te blijven, afvragen wat de hedendaagse ideeën over seksuele en reproductieve rechten en de machtsverhoudingen zijn die ten grondslag liggen aan abortuswetten.

Daarnaast leidt een eendimensionaal beeld van het verleden, wanneer deze op het heden wordt geprojecteerd, ook tot een eenzijdig beeld van de huidige werkelijkheid. Het is aan de historicus om aan te tonen dat iedere tijdsperiode, en daarmee ook de huidige, complexer en veelzijdiger is dan dat, en dat bewegingen van opgang, neergang en wederopkomst eerder constructies zijn dan historische realiteit. Dit moet uiteraard in het onderwijs gebeuren (de Universiteit Utrecht bood bijvoorbeeld in 2015 een cursus ‘middeleeuwse toestanden’ aan), maar ook platforms als Over de Muur kunnen hierin een belangrijke rol vervullen.

Lieke Smits is verbonden aan de Universiteit Leiden en bestudeert de religieuze cultuur van de middeleeuwen. Binnenkort zal zij haar proefschrift Performing Desire: Bridal Mysticism and Medieval Imagery in the Low Countries (c. 1100-1500) verdedigen.