Wanneer passen mensen hun beeld over kolonialisme aan?

Nederland worstelt met de collectieve herinnering aan haar koloniale verleden. Historicus en blogger Lara Nuberg roept op om in het debat hierover ruimte te creëren voor meerstemmigheid.

De laatste tijd loop ik vaak rond met de vraag: Hoe zal deze periode over twintig jaar aan de volgende generatie worden uitgelegd? Welke term zullen we gebruiken om de discussies en demonstraties rondom Piet, straatnamen en standbeelden te duiden? Hoe kijken we straks terug op deze roerige jaren ’10, waarbij het benoemen van racisme Nederland lijkt te verdelen? Zullen we straks spreken over de laatste stuiptrekkingen van kolonialisme? Of van de start van een nieuw en gelijkwaardiger post-postkoloniaal tijdperk? 

Het zal niemand zijn ontgaan: Net als in België woedt in Nederland een heftige discussie over onze koloniale erfenis. Daar waar de discussie op het eerste gezicht slechts lijkt te gaan over het uiterlijk van een “kindervriend” en het al dan niet veranderen van straatnamen of standbeelden, ligt onder het rimpelige en onstuimige oppervlak van deze kwesties een veel interessantere vraag verscholen. Namelijk: Op welke manier wil Nederland haar (koloniale) verleden herinneren? En dan niet als slechts mensen die op Buma en Rutte lijken de herinnering mogen bepalen, maar ook de kinderen van (postkoloniale) migranten.   

Het is voor het eerst dat dit vraagstuk heel Nederland in zijn greep houdt en het is dan ook niet gek dat het leidt tot botsingen en snelwegblokkades. Om in termen van verkeer te blijven spreken: Op het gebied van vraagstukken omtrent koloniale erfenis bevinden we ons als land in een ellenlange file, waarbij de bestemming onbekend lijkt, we roekeloos in- en uitvoegen, bepaalde stemmen naar de vluchtstrook verdrukken, maar ons consequent niet afvragen wat in de eerste instantie die file heeft veroorzaakt. Hoe zijn we terecht gekomen in een periode waarbij elk tegengeluid wordt afgedaan als activisme of identiteitspolitiek? Hoe kan het dat gemiddeld Nederland in de aanval schiet als men de figuur van Zwarte Piet bestempelt als racisme? En waarom vindt een pamflet als Tempo Doeloe – een omhelzing van schrijver Kester Freriks gretig aftrek bij mensen die hun romantische jeugdherinneringen aan Nederlands-Indië bedreigd zien door boeken als Roofstaat, De Brandende Kampongs van Generaal Spoor en Koloniale Oorlogen? 

Nederlanders met hun bedienden in Nederlands Indië (Bron: Nationaal Archief)

Als historicus, maar wellicht vooral als derde generatie Indische Nederlander die actief betrokken is bij discussies rondom (Indische) koloniale erfenis en hier onderzoek naar heeft gedaan voor het Indisch Herinneringscentrum, zie ik één duidelijk antwoord op die vraag: Gemiddeld Nederland weet veel te weinig af van wat kolonialisme heeft betekend om überhaupt de noodzaak te voelen van het ter discussie stellen van koloniale symbolen en koloniale erfenis. De oorzaak hiervan is makkelijk te verklaren: We leren eenzijdig over het koloniale verleden op school; we beschikken over weinig bronnen uit eerste hand van mensen die onderdrukt werden in de koloniale tijd; en van de eerste generatie postkoloniale migranten werd vooral verwacht dat ze zich aanpasten en hun verleden binnenskamers hielden. Het gevolg is dat Nederland een traditie heeft ontwikkeld van structureel doof en blind zijn voor de ervaringen van postkoloniale migranten en hun voorouders. Nu de derde generatie eindelijk mondig genoeg is om van zich te laten horen, stuiten ze op een modderpoel van onbegrip en felle verdediging, waarbij termen als slachtofferschap, kleinzerigheid en identiteitspolitiek niet worden geschuwd. Het is een verklaarbare reactie van een volk dat jarenlang is geïndoctrineerd door de winstgevende kasboeken van de VOC en de verslagen en romans van witte Hollandse schrijvers.  

De vraag is nu of historici, journalisten en andere publicisten die aandacht vragen voor bredere en meerstemmige perspectieven op de florerende kolonies met hun mysterieuze tropische natuur op kunnen boksen tegen dat vastgeroeste beeld van Hollandse glorie en goede bedoelingen. Zullen mensen hun beeld over kolonialisme aanpassen zodra ze meer kennis opdoen over de ervaringen van onderdrukten? Als ze bijvoorbeeld lezen over de slavenopstand op Curaçao onder leiding van Tula? Of over Indonesische verzetsstrijders als Diponegoro en Teuku Umar, die weigerden hun mensen te laten onderwerpen aan vreemdelingen uit een klein landje 10.000 kilometer verderop? Verandert ons beeld over de Nederlandse tolerantie als men weet dat wij tot 1942 bordjes met teksten als ‘Alleen voor Europeanen’ in Nederlands-Indië hadden hangen? En dat deze bordjes alleen verdwenen vanwege de Japanse bezetting, omdat die een einde maakte aan Nederlands heerschappij in Indonesië? Wat doet dit met ons zelfbeeld? 

Wellicht bereikt onze koloniale file binnen een aantal jaar een kruispunt. We kunnen er dan voor kiezen om als land rechts af te slaan en de Hollandse glorie in ere te houden; of we slaan linksaf, creëren ruimte voor meerstemmigheid en erkennen hoeveel mensenlevens ons koloniale verleden heeft beëindigd, heeft bepaald en heeft beïnvloed. In het eerste geval gaan we voorbij aan de ervaringen van een grote groep kinderen van de kolonie; in het tweede geval zal Nederland meer ruimte voor hen moeten maken in de geschiedenisboeken, op nationale herdenkingen en daarmee in ons collectief geheugen. Ik vraag me af wat beter past bij een land dat zich wereldwijd profileert als tolerant en open minded.  

Lara Nuberg (1990) is historicus en schrijft op gewooneenindischmeisje.nl over ons koloniaal verleden in Indonesië en de invloed daarvan op volgende generaties. 

Meer lezen binnen deze reeks?

Edurne De Wilde: Wat is de staat van het Nederlandse postkoloniale debat?