Geschiedenisonderwijs – Visies van de verschillende partijen

Op 17 maart gaan we naar de stembus. Op basis van een analyse van alle programma’s bespreekt Over de Muur de historische verwijzingen in de programma’s, de ideeën over de werkomstandigheden aan de universiteit en wat de partijen zeggen over het geschiedenisonderwijs. In deze aflevering gaan we in op de visies van de verschillende partijen op het geschiedenisonderwijs.  

Schoolplaat ‘De grote vergadering te s-Gravenhage – 1651’, c. 1950-1962. Museon, Den Haag (bron, CC BY 3.0 license).

Vinden politieke partijen geschiedenisonderwijs belangrijk, en zo ja waar leggen ze de nadruk op? Hoewel alle partijen de geschiedenis gebruiken om hun standpunten te onderbouwen (zie het eerste stuk in deze reeks), viel het bij lezen van de programma’s op dat partijen weinig tot niets zeggen over het belang van geschiedenis in het hoger onderwijs en onderzoek. Het geschiedenisonderwijs op school krijgt iets meer aandacht. Hierbij kan een grove driedeling gemaakt worden tussen partijen die er amper woorden aan besteden, partijen die het belang van vaderlandse geschiedenis benadrukken en partijen die meer aandacht willen voor koloniale en slavernijgeschiedenis. 

Historische stilte 

Allereerst zijn er helaas partijen die in hun programma het geschiedenisonderwijs niet noemen. De SP laat bijvoorbeeld helemaal niets los over het onderwerp. De VVD wil het onderwijsprogramma op basisscholen en middelbare scholen moderniseren, maar geschiedenis komt daarbij niet aan bod. In het hoger onderwijs moet meer geld vrijgemaakt worden voor ‘bèta en technische studies’. Dit geeft niet veel hoop voor de financiering van onderwijs in de geesteswetenschappen. Het belang van kennis van de geschiedenis, en wel specifiek die van Nederland, noemt de VVD alleen wanneer het over het inburgeringscurriculum gaat. 

Door de summiere uitwerking van het partijprogramma van 50PLUS blijven er veel vragen over wat ze denkt over geschiedenisonderwijs. Zo schrijft de partij dat ‘onderwijs aangeboden wordt in de Nederlandse taal’, maar of dit ook voor het hoger onderwijs geldt is onduidelijk. Er komen enkele oneliners voorbij, bijvoorbeeld dat ‘het onderwijs moet meer aansluiten op de snelle ontwikkelingen in de maatschappij’. Wat betekent dit voor het geschiedenisonderwijs? Meer marktwerking? Wordt geschiedenisonderwijs geofferd op het altaar van valorisatie? Het programma levert meer vragen dan antwoorden op.

Schoolplaat ‘Ter Walvischvaart’, 1910-1940. Museon, Den Haag (bron, CC BY 3.0 license).

Opvallend is dat ‘onderwijspartij’ D66 ook in dit rijtje thuishoort. De partij zegt wel veel over onderwijs en over (met name koloniale) geschiedenis, maar niets over het snijvlak tussen de twee. De partij wil in het onderwijsprogramma vooral aandacht voor basisvaardigheden en burgerschap, en verder ruimte laten om in te spelen op de veranderende samenleving.  

Vaderlandse geschiedenis 

Volgens de lijn der verwachting leggen conservatieve partijen de nadruk op het belang van de vaderlandse geschiedenis, al verschillen de invullingen hiervan. De SGP is helder: geschiedenis moet vooral vaderlandse geschiedenis zijn. Aan de andere kant stelt de partij ook dat scholen vooral niet lastig gevallen mogen worden met van bovenaf opgelegde lesmethoden vol nieuwerwetserij over een koloniaal verleden of klimaatverandering.  

Schoolplaat ‘Groenteteelt bij Loosduinen’, eerste helft 19de eeuw. Rijksmuseum, Amsterdam (bron).

Het CDA wil voor alle leerlingen in het voorgezet onderwijs een nieuw eindexamenonderdeel ‘Burgerschap, democratie en rechtstaat’ invoeren, met in het bijzonder aandacht voor de geschiedenis van de Europese Unie. Wanneer middelbare scholieren hun eindexamens doorstaan, wil het CDA hen bovendien een ‘Nationaal Compliment’ geven, bestaande uit een Nederlandse vlag en wimpel en ‘een digitaal pakket met informatie over onze Nederlandse historie, waarden en normen en democratie’. Dit zal ook aangeboden worden aan degenen die voor hun inburgeringstoets slagen.

De ChristenUnie legt de nadruk op het belang van de grondwet, burgerschap, en de geschiedenis van Nederland in het onderwijs en volwasseneneducatie. In het onderwijs moet aandacht geschonken worden aan burgerschap, de Holocaust en antisemitisme, en links- en rechts-extremisme. Maar ook multiculturaliteit in de samenleving moet aan bod komen, inclusief de historische achtergronden daarvan. 

Koloniaal verleden 

Bij de progressieve partijen staat aandacht voor koloniale geschiedenis hoog op de agenda. BIJ1 wil dat in het geschiedenisonderwijs meerdere perspectieven worden geboden. Daarbij is aandacht voor het koloniale en slavernijverleden van Nederland belangrijk om tot een beter begrip van de huidige samenleving te komen. Ook de PvdD wil ook meer aandacht voor koloniale, slavernij- en migratiegeschiedenis. Bij alle leermethodes, dus ook de historische, moet er aandacht zijn voor representatie, diversiteit en inclusie. 

Schoolplaat ‘De verovering van Tjakranegara op Lombok 1894’, 1910. Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen, Tropenmuseum (bron, CC BY-SA 3.0 license).

Volgens DENK moet het onderwijs gelijkwaardigheid overbrengen, sterker nog, het onderwijs moet gedekoloniseerd worden, ‘door aandacht te hebben voor het koloniale verleden en het slavernijverleden van ons land. Burgerschap en antidiscriminatie worden geëxamineerde kerndoelen.’ Daarnaast identificeert DENK het migratieverleden en koloniaal verleden als kerndoelen in het onderwijs, dat Nederlanders moet verbinden door over elkaars historie te leren. Tot slot wil de partij talenonderwijs faciliteren in de talen van de landen waar Nederland een (migratie)geschiedenis mee heeft.

Volgens GroenLinks is er in het onderwijs een belangrijke taak weggelegd voor het geschiedenisvak. Daarbij zijn geschiedenisleraren de uitgelezen personen om actuele maatschappelijke debatten en problemen in een breder tijdsperspectief te plaatsen. Zo benadrukt de partij het belang van onderwijs over ‘slavernij, ons koloniale verleden, de bredere geschiedenis van racisme en ongelijkheid en de rol die de Nederlandse staat hierin speelde’. Verder suggereert het verkiezingsprogramma dat de zorgwekkende toename van het aantal antisemitische incidenten tegengegaan kan worden door dieper in te gaan op ‘de Holocaust, hedendaags antisemitisme en de Joodse geschiedenis en cultuur’.  

Het onderwijsprogramma van de PvdA legt de nadruk op beter onderwijs en kansengelijkheid. De partij wil burgerschap belangrijker maken, waarbij aandacht wordt besteed aan hoe leerlingen zich tot elkaar verhouden. Het geschiedenisvak wordt niet genoemd binnen het onderwijsprogramma, maar de partij stelt wel in een hoofdstuk over een saamhorig Nederland dat het belangrijk is om scherp naar de ‘zwarte bladzijdes’ uit de geschiedenis te kijken. Daarnaast moeten middelbare schoolleerlingen in de toekomst tenminste één bezoek aan brengen aan een nog op te richten Slavernijmuseum. De partij stelt dat meer kennis van ons verleden – zowel de goede als slechte kanten – bijdraagt aan wederzijds begrip. Die kennis behoeft volgens de partij echter geen andere invulling van het geschiedenisvak in het onderwijs.  

Voor dit stuk zijn de verkiezingsprogramma’s van de volgende partijen geraadpleegd: 50PLUS, BIJ1, ChristenUnie, CDA, D66, DENK, GroenLinks, SGP, PvdA, PvdD, SP en VVD.