Categorieën
Geschiedenis actueel

Misschien heeft de dode witte man toch nog waarde

Op 1 oktober werden de resultaten van de literaire ‘Canonenquête 2022’ gepresenteerd. Nadat 20 jaar eerder een soortgelijke enquête was gehouden onder leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, was deze nu breder uitgezet onder neerlandici en andere lezers. De media stortten zich op de veranderingen, of het gebrek daaraan, ten opzichte van de vorige lijst. Daarbij kreeg – wellicht niet verrassend – vooral het thema diversiteit veel aandacht. Zo kopte NRC: ‘Toch weer veel dode, witte mannen in de nieuwe literaire canon’, terwijl in het artikel ook de terugloop van de historische letteren aan bod kwam. Zoals Marc van Oostendorp al aangaf ziet men in de discussie soms over het hoofd dat de uitslag van de canonenquête geen nieuwe norm is, maar beschrijft hoe de respondenten over de canon denken. De initiatiefnemers van de enquête presenteerden de uitkomsten dan ook expliciet als een startpunt voor discussie en organiseerden een debatmiddag in de Koninklijke Bibliotheek op 7 oktober. Die discussie wil ik hier graag voortzetten, waarbij ik als mediëvist vooral zal reflecteren op de historische letteren: hoe zijn de literaire kwaliteit, representativiteit en diversiteit die respondenten in een canon willen zien met elkaar te verenigen, en welke betekenis kunnen de ‘klassiekers’ nu nog hebben?

Historische letterkunde

Het rapport van de canonenquête maakt duidelijk dat veel respondenten belang hechten aan diversiteit in de canon op de gebieden van gender en culturele achtergrond. Daarbij vinden zowel voor- als tegenstanders dat literaire kwaliteit leidend moet zijn bij canonisering. Daarnaast geven respondenten aan dat er in veel historische perioden nu eenmaal minder diversiteit onder schrijvers was, waardoor een streven naar diversiteit zou kunnen leiden tot ongewenste oververtegenwoordiging (overigens zou nog onderzocht moeten worden of dit inderdaad klopt – wellicht is er voor sommige historische perioden nu wel sprake van ondervertegenwoordiging van bijvoorbeeld vrouwelijke auteurs).

Wat mij opvalt is dat we hier twee criteria hebben die elkaar in de praktijk kunnen bijten: literaire kwaliteit en de representativiteit van werken en auteurs, wat eerder een cultuurhistorisch criterium is. Selectie puur op basis van literaire kwaliteit kan leiden tot een canon die cultuurhistorische lacunes bevat, terwijl een canon die mooie historische ontwikkelingen in de letteren toont literaire meesterwerken over het hoofd kan zien. Wanneer we de resultaten van de enquête bekijken, is duidelijk dat beide typen criteria een rol hebben gespeeld in het stemgedrag. Ik geef hier een korte analyse van de middeleeuwse werken en auteurs die de top 100 haalden.

Auteurs (tabel op p. 33 van het rapport).
Werken (tabel op p. 42 van het rapport).

Welke criteria lijken hier een rol te hebben gespeeld? Van het vroegste werk dat de lijst heeft gehaald, Hebban olla vogala, zal de keuze overwegend cultuurhistorisch zijn – het is lang als de oudste geschreven zin in het Oud-Nederlands gezien. (In het kader van genderdiversiteit is het interessant dat we de zin kennen omdat die door een monnik is opgeschreven, maar hij was waarschijnlijk deel van een liefdesliedje waarvan het auteurschap goed bij een vrouw zou kunnen liggen.)

De meeste andere werken lijken toch vooral vanwege literaire kwaliteiten gekozen te zijn. Bovendien schemert in de keuzes ons huidige idee van wat literatuur is door. Er staan redelijk wat werken in de lijst die we nu als ‘fictie’ zouden oormerken, zoals Van den vos Reynaerde, Karel ende Elegast en Walewein. Toch bestond volgens schattingen zo’n 80% van de Middelnederlandse tekstproductie uit geestelijke literatuur. Een meer cultuurhistorische nadruk zou dus tot een grotere vertegenwoordiging van deze categorie leiden, en daarmee wellicht ook tot een grotere representatie van vrouwen, die met name religieus proza schreven. Alijt Bake, een van de schrijvende vrouwen binnen de Moderne devotie, zou dan bijvoorbeeld goed naast Hadewijch op de lijst kunnen prijken.

De discussie rondom literaire kwaliteit, cultuurhistorische representatie en de roep om een diverser beeld van de literatuurgeschiedenis zou gebaat zijn bij een suggestie die Frits van Oostrom deed tijdens het canondebat in de KB: laat die nadruk op de auteur eens los. Voor de ontwikkeling van de Middelnederlandse literatuur was juist de opkomst van nieuwe lezerspublieken cruciaal. Met name vanuit de stedelijke burgerij en religieuze vrouwen (zowel binnen als buiten de kloostermuren) kwam een grote vraag naar teksten in de volkstaal, wat een belangrijke stimulans vormde voor Middelnederlandse tekstproductie. Dit verhaal is bijvoorbeeld te vertellen aan de hand van de Elckerlijc, maar de lezers van devotionele werken, waaronder veel vrouwen, zijn op dit moment in de lijst niet goed vertegenwoordigd. Het zogenaamde Getijdenboek van Geert Grote, waarvan honderden handschriften zijn bewaard en dat daarmee het meest gelezen boek in de vijftiende-eeuwse Noordelijke Nederlanden was, zou deze cultuurhistorische lacune kunnen opvullen.

De ridder Moriaen, illustratie door Caroline Watts in een Engelse vertaling van de Middelnederlandse tekst uit 1901.

Een andere manier waarop het loslaten van de nadruk op de auteur tot een diverser beeld van de middeleeuwse letteren zou kunnen leiden, is door de nadruk te verschuiven naar de inhoud. Vooral de middeleeuwse ridderromans zullen menig modern lezer verrassen met hun diverse cast. Zo komen er diverse vrouwelijke personages ten tonele in de populaire Roman van Heinric en Margriete van Limborch (die op de lijst met ‘ten onrechte vergeten titels’ staat), is de love interest van Walewein een Indische prinses, en voert de Roman van Moriaen (niet in de top 100) een zwarte ridder als hoofdpersonage op. Hoewel we de personages steeds door de ogen van witte mannelijke schrijvers zien, bieden deze teksten de kans om de literaire verbeelding van gender en culturele diversiteit in het verleden te thematiseren.

Levende canon

Tijdens de bijeenkomst in de KB ontstond er een consensus over iets wat niet expliciet op het programma stond: een canon moet leven. Wat dat precies inhoudt werd niet gedefinieerd. Om een voorstel daartoe te doen: literaire klassiekers leven wanneer ze worden gelezen, waar goede edities en hertalingen voor nodig zijn, maar des te meer als ze de verbeelding zo aanspreken dat ze tot nieuwe creaties leiden: we bevinden ons dan op het gebied van hervertellingen, inspiratie, receptie en intertekstualiteit. Het zal geen toeval zijn dat het middeleeuwse werk dat het hoogst op de lijst staat, Van den vos Reynaerde, de tekst is waar talloze moderne bewerkingen van bestaan. Ook Hadewijch is geliefd onder hedendaagse schrijvers, de Elckerlijc wordt nog altijd op het toneel gebracht en tijdens afgelopen Museumnacht brachten spoken word-dichters werk geïnspireerd op het Gruuthusehandschrift ten gehore.

Ondanks het kelderen van de historische letteren in de resultaten van de canonenquête, stemt het idee van een levende canon me optimistisch over het belang dat middeleeuwse en vroegmoderne werken nog kunnen hebben. Dat optimisme komt niet alleen voort uit de recente receptie van middeleeuwse werken, maar ook uit de potentie die ze volgens mij hebben om de interesse en creativiteit verder aan te wakkeren, ook onder nieuwe, jonge doelgroepen. Ik doe graag enkele vrijblijvende suggesties ter inspiratie voor iedere liefhebber die deze potentie wil benutten om de historische letteren nog lang te laten leven:

  • Recent schreef boekverkoper Olaf Leeuwis over de grote hoeveelheid tienermeisjes die zich naar de boekwinkel begeeft om door TikTok gepopulariseerde boeken te kopen en daarbij ook glitteruitgaves van klassiek werken van Jane Austen, de Brontës of Mary Shelley meepakt. Wie zich aangesproken voelt tot de gothic novel, kan volgens mij ook goed bij de middeleeuwse inspiratiebronnen daarvan terecht. Hadewijch, met haar orewoet en afgrond van minne, lijkt me een potentieel cultfiguur voor deze doelgroep. Het is te hopen dat een slimme uitgever hierop inspeelt met een mooi vormgegeven, glitterende bloemlezing.
  • Tijdens het canondebat in de KB kwam de wens van docenten om creatief schrijven onderdeel van het curriculum Nederlands te maken naar voren. Waarom vragen we leerlingen niet om hun eigen fan fiction te schrijven aan de hand van een middeleeuws of vroegmodern werk, waarbij ze zelf de zaken die zij relevant achten kunnen uitlichten, met daaraan verbonden een jaarlijkse Vlaams-Nederlandse schrijfwedstrijd?
  • Middeleeuwse handschriftillustraties doen het enorm goed op social media. De KB speelt hier slim op in door met een medieval memes generator aandacht op de collectie te vestigen. Voor de prachtig geïllustreerde werken van Maerlant zouden Maerlantmemes een goed ingang zijn.
Illustratie uit een handschrift van Jacob van Maerlants Der naturen bloeme, vervaardigd rond het midden van de 14de eeuw. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek KA 16, fol. 109r.

Het grote voordeel van aandacht voor het nachleben van de historische letteren, is dat er vanzelf meer ruimte ontstaat voor diversiteit van auteurs, inhoud en lezers. De literaire canon bevat misschien wel veel dode witte mannen, maar is er zeker niet alleen voor witte mannen.

Laten we ten slotte niet vergeten dat hoewel een levende canon van waarde kan zijn, deze niet voor iedereen leidend hoeft te zijn of zelfs maar betekenis hoeft te hebben. Meer vrouwen of schrijvers van kleur in de canon is dan ook eerder een reflectie van maatschappelijke veranderingen dan een oplossing voor uitsluiting; waar een canon is, is ook altijd een marge waar zich onvermijdelijk goede en belangrijke werken schuilhouden. Wie de canon laat voor wat die is, ziet dat er in de marges van de literatuurgeschiedenis genoeg glittert.

Verder lezen en luisteren

De Canonenquête 2022

Corina Koolens oproep op Over de Muur: lees een vrouw

Marie-José Klaver, ‘De canon, het manifest en de leraar Nederlands,’ op Neerlandistiek

Katrien Heene, ‘Vrouwelijke auteurs in de middeleeuwen. De complexe relatie tussen gender, genre en (literatuur)geschiedenis,’ Queeste 13 (2006), pp. 109-129

Lieke van Deinsen & Freek Van de Velde, ‘Geslachtelijke geschiedschrijving? Een distant reading van de evaluatie van mannelijke en vrouwelijke auteurs in Nederlandse literatuurgeschiedenissen’, Nederlandse Letterkunde 27 (2022), pp. 121-160

Podcast: ‘Canonconversaties,’ door KANTL en deBuren

Fixdit Podcast: Moderne klassiekers,’ door schrijverscollectief Fixdit in samenwerking met De Gids

Lieke Smits is postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen. Ze houdt zich bezig met de religieuze cultuur van de late middeleeuwen